Exit Magazine

Maandelijks Brugs Cultuurblad

Maandelijks archief: februari 2020

‘JEF filmfestival in de mix’

Van 22 tot en met 29 februari slaat het JEF festival de tenten op in Brugge. Kinderen en jongeren vanaf 1,5 jaar zijn welkom voor een uitgebreid aanbod aan films, workshops, ontmoetingen en andere memorabele filmmomenten. Het festival heeft dit jaar twee meters: #LikeMe-ster Pommelien Thijs en actrice Hilde De Baerdemaeker. Het festival gaat elk jaar op zoek naar een centraal thema. Dit jaar is dat ‘JEF in de mix’.

 EXit: Kun je ons wat meer vertellen over dat centrale thema?
Hilde De Baerdemaeker:
‘We kozen voor JEF in de mix. Het uitgangspunt is: je bent nooit één aspect, je bent altijd een samengaan van verschillende kenmerken en eigenschappen. Dat zie je weerspiegeld in de films, workshops en installaties die voor het festival werden uitgekozen.’

 

EXit: Ook in de openingsfilm?
De Baerdemaeker:
‘De openingsfilm is Marona, een heel bijzondere animatiefilm over een snoezige straathond. In haar laatste momenten denkt ze terug aan haar leven. Ze denkt aan de schattige puppy die ze ooit was en aan alle mensen waar ze onvoorwaardelijk van heeft gehouden, zoals het kleine meisje dat beloofde om er altijd voor haar te zijn. Als je dacht dat Bambi een film was om mee te snotteren, dan heb je Marona nog niet gezien … De prachtige tekeningen zijn geïnspireerd op het werk van de bekende Belgische illustrator Brecht Evens.’

EXit: Er zijn films voor jong en oud. Zelfs voor peuters?
De Baerdemaeker:
‘Peuters zijn misschien wel het meest dankbare publiek. Ze zijn heel enthousiast en spontaan, heel nieuwsgierig en nog niet geconditioneerd door de clichés van de filmwereld. Dat is filmmakers ook al opgevallen, want er wordt heel veel geproduceerd voor kleuters. JEF is blij om al dat moois te kunnen laten zien. Er staan een aantal niet te missen kortfilms op het programma: het dromerig-surrealistische Het varken, de vos en de molen, een nostalgische trip met De Freggels, en er is zelfs een ‘allereerste filmconcert’ waarbij kortfilms voor kleuters live begeleid worden.’

 EXit: Een deel van het programma wordt door kinderen zelf samengesteld. Hoe gaat dat in zijn werk?
De Baerdemaeker:
‘JEF probeert om het festival zoveel mogelijk te laten dragen door kinderen. Hun enthousiasme is vaak zo groot en ze zijn de best denkbare ambassadeurs. Tijdens de ‘JEF makersdag’ is een selectie films te zien van jonge filmmakers onder de veertien jaar. Een ploeg jonge programmatoren vult de avond met eigen gekozen films voor jongeren ouder dan twaalf jaar.’

EXit: Welke keuzes hebben zij gemaakt?
De Baerdemaeker:
‘Ze laten je onder meer System Crasher en De Libi zien, twee sterke titels die heel dicht bij de leefwereld van de jongeren staan en die een grote impact hebben op het publiek. In een film zoals Psychobitch kruipt de camera echt mee op de schoolbanken, bijna op schoot van de tieners. Deze film past uitstekend binnen het thema van dit jaar en toont hoe de jongeren met elkaar omgaan en hoeveel verschillende persoonlijkheden er passen ‘in de mix’.’

EXit: Er werd, in het kader van het thema, ook een app ontwikkeld?
De Baerdemaeker:
‘JEF ontwikkelde een coole app waarmee kinderen thuis hun eigen profiel kunnen aanmaken. Via hun keuzes wordt een verhaal en een avatar voor hen ontwikkeld. Daarmee kunnen ze zich tijdens de krokusvakantie in ons medialab linken aan andere kinderen. Op die manier worden hun verhalen samengevoegd. Daarnaast kunnen ze met hun gecreëerde avatar inloggen en punten verzamelen via een zoektocht tijdens het festival. Ze kunnen dus zelf uitzoeken uit welke mix van eigenschappen ze zijn samengesteld.’ (SD)

 

http://www.JEFfestival.be

Joren en de zwarte dood

 

Historici houden ervan: catastrofale tijden doorheen de geschiedenis. Als één periode daarin excelleert, dan die zoals magistraal beschreven door Barbara Tuchman in haar wereldwijde bestseller ‘De waanzinnige veertiende eeuw’. De Brugse historicus Joren Vermeersch, bekend van NV-A, woordvoerder Theo Francken en Doorbraak-columnist, pikte er de cruciale datum 1349 uit en vertelt uitvoerig ‘Hoe de Zwarte Dood Vlaanderen en Europa veranderde’. Die verandering staat buiten kijf. Vermeersch noemt deze cruciale periode ‘één van de grootste rampen uit onze geschiedenis’.

Die andere Brugse historicus, professor Jan Dumolyn, prijst inleidend het boek als ‘bijzonder leesbaar en interessant omdat het heel wat inkijk geeft en heel wat facetten van het Graafschap Vlaanderen.’ Zo verneem je als lezer over het dagelijkse leven van de gewone (werk)mens, de stedelijke politiek en de wereld van de ambachten.‘1349’ opent zijn verhaal met een merkwaardige stelling: ‘In feite was de grote pestepidemie één van de eerste tekenen van wat wij vandaag de globalisering noemen. ‘

Hoe universeel en wijdverspreid de pest ook toesloeg in dat vervloekte jaar 1349, toch kiest Vermeersch geregeld voor lokaal geïnspireerde verhalen. Zo lezen we dat Bruggeling Wouter de Priester in een vlaag van verdriet (wegens de hoge tol van deze ziekte) zijn huizen wegschonk aan de armentafel van de Sint-Salvatorsparochie.

Leerzaam zijn ook de zondebokverhalen. Weten we vandaag vrij accuraat welke weg de pest heeft afgelegd (vanuit Azië) om Europa en onze contreien te bereiken, toch vond men de oorzaak steevast bij de Joden. Joren Vermeersch: ‘Hun afwijkende gebruiken, taal, godsdienst en neiging tot zelfsegregatie bracht de Joden in het vizier van de wanhopige Europese bevolking.’

De titel van het boek, spitst zich toe op het cruciale jaartal 1349, maar toch onderzoekt de auteur ‘hoe het Vlaanderen verging in het grote Europese verhaal’. En dat bleek geen sinecure, want veel bronnen over de pest overleefden de ramp niet of verborgen hun geheim. Het boek eindigt positief denkend met ‘En toch slaagden onze voorouders er in om na het leed de handen terug aan de ploeg te slaan’. Vermeersch noemt dat ‘een geruststellende en inspirerende gedachte.’

Het boek is beslist een stevige aanwinst voor de eindeloze lijst Bruggeboeken. En voor wie houdt van geschiedenis, want zoals de Russische dichteres Anna Achmatova ooit dichtte: ‘Ik lees geschiedenis, ik oefen mijn bescheidenheid.’ (LF)

1349, Hoe de Zwarte Dood Vlaanderen en Europa veranderde, Joren Vermeersch, uitg. Vrijdag

 

 

 

Jan Verhaeghe en de strijd om tentoonstellingsruimte

(fotoEDM)

 Jan Verhaeghe (54), beeldend kunstenaar en sinds 1996 aan de slag in het Cultuurcentrum Brugge, geeft de strijd voor (meer) hedendaagse kunst in eigen stad niet snel op. In de Bogardenkapel (in de Katelijnestraat) organiseerde hij onlangs nog een tentoonstelling met werken van drie laureaten van de kunsttentoonstelling Input/Output. Aansluitend deed hij er een bevraging bovenop waarin mensen uit de kunstensector hun visie gaven op beeldende kunst in de werking van de cultuurcentra. Jans particuliere strijd staat bovenaan: een expo-ruimte die het wegvallen van (kunsthalle) De Bond, Buiten Smedenvest) moet compenseren. De brochure ‘Een terugblik voor de toekomst’ zet het werk van Input/Output-geselecteerden uit de periode 2005-2019 nog eens in de kijker. Een boterham om bij na te denken.

Input/Output is de tweejaarlijkse wedstrijd voor jonge kunstenaars (tot 34 jaar), annex tentoonstelling, en vindt plaats sinds 2005. Een professionele jury wikt en weegt de inzendingen. De eerste prijs bedraagt 4.000 euro. Vanaf de tweede editie (2007) kreeg de winnaar er een solotentoonstelling in de Bogardenkapel bovenop. De lijst laureaten en ‘eervolle vermeldingen’ oogt mooi met namen als Marleen Davans, Sarah Westphal, Rinus Vandevelde en Peter Depelchin en vele anderen.

Jan Verhaeghe wou deze gelegenheid benutten om de kunstensector te bevragen. Zijn vragenlijst bracht echter weinig geesten (35 antwoorden op een aangeschreven aantal van 605 mailadressen) in beweging en de antwoorden waren vaak voorspelbaar. ‘Een beschikbare tentoonstellingsruimte’ stond bovenaan, het huidige prijzengeld vindt men ‘voldoende’ en de bijbehorende publicaties over de kunstenaar ‘een goede zaak’.

Het probleem van het ontbreken van een geschikte tentoonstellingsruimte voor hedendaagse kunst is reëel. De Bogardenkapel is momenteel bijna de enige ruimte waarover Verhaeghe kan beschikken. Hij zelf ziet nochtans meerdere kansen: het Arentshuis (Dijver), de Magdalenazaal (Magdalenastraat, Sint-Andries), het vroegere politiekantoor in de Hauwerstraat, het geplande Xaverianengebouw in Sint-Michiels , het Huis Sebrechts (Beenhouwerstraat), de Poortersloge en de kelders van de Stadsschouwburg. Ruimte zat, denken we dan, maar de praktijk oogt moeilijker. Cultuurcentrum, de Triënnale, Het Entrepot & Tank, Musea Brugge en het Concertgebouw spelen (liever) op eigen vertrouwd terrein. Op een recente debatavond beaamde schepen van Cultuur Nico Blontrock de nood en beloofde naar oplossing te zoeken, maar vroeg in een adem door voor ‘geduld’.

De vraag die bij deze oprispt, luidt dan ook: hoeveel energie wil het Cultuurcentrum investeren in hedendaagse kunst in de stad? Artistiek directeur Filip Strobbe riep in een recent essay (‘Cultuurcentrum Brugge en de beeldende kunst in de stad’) enkele zeer relevante vragen op.

Filip Strobbe: ‘Welke artiesten willen we als Cultuurcentrum een platform geven? Geef je de curator vrij spel? Zoek je kunstenaars die in dialoog gaan met de stad? Hoe definieer je ‘jong’ in een tijdperk waarin de mensen ouder en vitaler worden? Of, kan iemand met een gevorderde leeftijd ook een nieuwe vormentaal ontwikkelen?’ Hij concludeert: ‘Als er iets duidelijk is, dan is het de onblusbaarheid van het vuur dat brandt voor de actuele kunst in Brugge. Soms smeult het vuur en soms het laait op. Strobbe rondt af: ‘Beschouw deze publicatie (‘Een terugblik voor de toekomst’) als een blaasbalg die het vuur verder zuurstof geeft.’ (LF)

 

jan.verhaeghe@brugge.be

Raymond op 20 en 21 februari in de Stadsschouwburg

Een jongen uit Brugge wordt 70

Op 14 februari 2020 mag het Valentijnskind Raymond van het Groenewoud een verjaardagstaart aansnijden waarop 70 kaarsjes flikkeren. Waar anders dan in de ook al jarige Koninklijke Stadsschouwburg (150 jaar) in zijn thuisstad Brugge kan de birthdayboy zijn 50 jaar muziek beter vieren met twee concerten (20 en 21 februari)? ‘Ik denk dat het publiek verwacht dat ik overloop van hoe het is begonnen tot waar ik nu sta. Ik ga in die trant ook een setlist samenstellen.’

EXit: Bijna 70! Wat doet dat met een mens?

Raymond van het Groenewoud: ‘Ik ga het omdraaien: wat doet dat met de media? Veel mensen in de media vinden dat een interessant punt om door te lichten en zo word ik als mens geconfronteerd met de ene aanvraag na de andere. Wat het meest ingrijpend is geweest in de laatste drie jaar, is het akkoord met een sympathieke documentairemaker om voor een documentaire te gaan. Ik voel het nog. Ik ben daarin tot op de bodem uitgevraagd. Vanaf 13 februari op één, drie keer 35 minuten.’

EXit: We zullen zeker kijken. Staat u soms stil bij die 70ste verjaardag?

Raymond: ‘Neen, het is wat ik zeg. Het valt me enorm op dat ik daarover bevraagd word en dat ik daarmee in de belangstelling sta. Zelfs in Nederland. Verrassend genoeg.’

EXit: Zo verrassend vind ik dat niet. 50 jaar actief in de muziekbusiness en tot op vandaag jaar na jaar relevant blijven. Er zijn weinigen die u dit voordeden.

Raymond: ‘Ik heb er niet bij stilgestaan. Ik ken best wel mensen die zeer lang bezig zijn geweest. Over de wereld gezien dan. Ik denk bijvoorbeeld aan Charles Aznavour die tot zijn laatste snik is blijven optreden, tot in zijn negentiger jaren. Ik zoek het hier bij de Fransen, want ik denk hierbij ook aan Henri Salvador. Neem daarbij dat hij een hoogtepunt had, muzikaal-artistiek gezien, rond zijn negentigste verjaardag met een cd die hij toen uitbracht en die ik ook heel mooi vind.’

EXit: Uw beste jaren hebt u dus nog tegoed.

Raymond: ‘Ik weet niet of wat voor Salvador gold, ook voor mij zal gelden. De sterrenwichelaar Sigrid Spruyt heeft op een andere bizarre astrologische manier gezien dat mijn twaalf beste jaren nog moeten komen, van mijn 72ste tot mijn 84ste. Ik bezie het wel. Dat heb ik vaak genoeg gezegd. Nuchter.’

EXit: Op uw mooie website zie ik heel uw levensloop opgelijst. Wat een oeuvre, wat een productiviteit, wat een leven!

Raymond: ‘Het is raar, maar ik zie zoiets nooit voor me. Hetzelfde geldt voor speciale voorvallen. Wanneer mijn goede vriend Philippe Serruys van Den Gouden Harynck anekdotes bovenhaalt waaruit blijkt dat ik toch ook een mafkees blijk te zijn, dan pas weet ik weer dat het zo is geweest. Als ze mij vragen: ‘Hebt u stoten uitgehaald?’, dan zou ik het niet meteen kunnen opdiepen. Hij kan na elkaar zo’n vier à vijf anekdotes vertellen. Ik sta er bij te lachen alsof het over iemand anders gaat. Dat vind ik wel straf. Ik kan geen anekdotes opdissen. Ze komen niet.’

EXit: In 1981 las ik dat u het optreden beu was. Frappant.

Raymond: ‘De werkethiek, nouja, er was gewoonweg geen werkethiek. Er lag veel te veel druk op mij. Ik kon mezelf niet managen en een ander kon het ook niet goed doen voor mij. Het was altijd maar: we zullen het wel doen. En dan werd het veel te veel. Ik ben zeer slecht in verplaatsingen. Ik word daar echt moe van en ik voel me daar niet goed bij. Ik doe het alleen maar omdat het doel van die verplaatsingen me wel interesseert en dat is: optreden. Om dat gerieflijk te kunnen doen, heb ik moeten ontdekken dat het met een omgebouwde camionette wel leefbaar was. Als ik maar een stukje van mijn huis kan meenemen, daar komt het eigenlijk op neer. Altijd maar in een vreemde heimat, niet wetende wat ik moest doen en wat er mij te wachten stond, buiten het optreden zelf, dat sloopte mij. En ik moest alleen kunnen zijn. Gerieflijk genoeg om niet gesloopt te zijn voor het optreden begint.’

EXit: Het was toen flirten met een burn-out voor het woord hip werd?

Raymond: ‘Ja, de manager zegt het in een korte zin: het moet plezant blijven. En dat was het zeker niet. Ik had ook geen bescherming. Je ziet dat bij de collega’s. Iedereen heeft een manager waarmee hij het kan stellen. Om af te schermen. Ik had het niet.’

EXit: Nu hebt u met Johan Kerckhof een goede beschermheer.

Raymond: ‘Ja, nu kan ik hem bellen en zeggen wat mij niet zint. Elke keer begrijpt hij waarover ik het heb en zorgt hij ervoor dat het niet meer opnieuw gebeurt. Ik heb ook moeten leren neen zeggen. Vroeger was ik bang om neen te zeggen. Ik dacht dat je daarbij vijandschap ontwikkelde. Nu kan ik gemakkelijk neen zeggen, want ik kan niet zoveel tegelijk aan. En dan krijg ik vaak als antwoord: alle begrip. Vroeger was ik daar niet klaar voor. Iedereen in zijn leven weet wel wat dat betekent: leren neen zeggen. Zonder daarbij ruzie te willen maken.’

EXit: Voelt u het fysiek?

Raymond: ‘Ik voel dat ik steeds meer tijd nodig heb om te recupereren. Ik probeer er rekening mee te houden.’

EXit: Er staat wel weer een serieuze concertreeks gepland…

Raymond: ‘Ja, maar spelen doe ik graag. Ik doe het zo graag dat ik het er niet aan denk wat het met me doet. En ik besef dat ik na een concert veel meer tijd nodig heb dan vroeger om te recupereren. Uitgaan na een optreden is er haast niet meer bij. Vroeger deden we niets anders. Het is logisch.’

‘De verjaardagsconcerten zijn een apart verhaal. Ik denk dat het publiek verwacht dat ik overloop van hoe het is begonnen tot waar ik nu sta. Ik ga in die trant ook een setlist samenstellen. De man die de documentaire heeft gemaakt, heeft ook aangeboden om de concerten op te leuken met beelden die natuurlijk refereren aan vroeger. Voor mij is dat nieuw en het bewijst dat het een speciaal project is. Ik mag er wel niet te veel door geklemd geraken in mijn spontane manier van werken. Ik vind het niet erg om met een vaste lijst te werken, maar het mag niet zijn dat iets 45 seconden duurt en dat ik daarop moet inpikken, dat is me te zaaddodend.’

EXit: Uit zo’n oeuvre: hoe stelt u de setlist samen? Iedereen zit natuurlijk te wachten op zijn favoriete nummer…

Raymond: ‘Ik kan niet iedereen tegelijk bevredigen, dat weet ik al sinds ik bezig ben eigenlijk. “Toch spijtig dat je dat nummer niet hebt gespeeld”, hoor ik telkens weer. Dat kan pijnlijk zijn als je net je kloten hebt afgedraaid. Neen, mensen komen me vaak bedanken voor al het mooie, maar je hebt ook mensen die met een air van ‘de klant is koning’ komen klagen.’

EXit: Zijn er bepaalde nummers die u niet meer wil spelen of die de tand des tijds niet hebben doorstaan?

Raymond: ‘Die zijn er zeker. Het moeilijkste nummer om als vaste prik te spelen, is ‘Wat een fijne dag’ omdat het zo intens negatief is. Ik weet dat er veel mensen zijn die ervan houden. Iedereen die diep zit, heeft er iets aan. Ik kan moeilijk keer op keer fingeren dat ik die diepte voel. Dan moet je het verkopen, dan moet je het acteren. Dat kan ik niet altijd. Ik heb ooit hetzelfde voorgehad bij ‘Je veux de l’amour’, maar dan heb ik die klik gehad waarbij ik het kon acteren.’

EXit: U hebt vroeger nog echt geacteerd…

Raymond: ‘Ik ben sowieso geboeid door theater. Ik denk dat ik iets aan theatraliteit heb, dat hoeft daarom niet extravert te zijn, hé. Dat is het misverstand. Er bestaat sowieso een serieus misverstand over ‘dramatisch’. Zeker bij een type Hollander. Als je hard loeit, dan denken ze dat het heel emotioneel is. In Vlaanderen heb ik wel meer een publiek dat begrijpt dat verstilde zaken ook enorm veel emotie kunnen uitbeelden. Dat geeft meer kans om dat type muziek te blijven spelen waardoor je zo pseudo onthecht bent.’

EXit: Een aantal jaren geleden vertelde u me dat u dagelijks nog steeds een aantal uren oefende op gitaar. Gaat dat nog altijd op?

Raymond: ‘Ja, ik moet trouwens meer en meer nakijken, memoriseren, onderhouden. Dat is ook door het klimmen der jaren.’

EXit: Of door het groter worden van het oeuvre?

Raymond: ‘Misschien tegelijk, dat kan. Het geheugen minder vertrouwen, dus iets meer nakijken dan.’

EXit: U componeert haast nog dagelijks?

Raymond: ‘Ik heb een nieuwe cd en vinylplaat klaar, dan heb ik dus duidelijk iets gedaan in de laatste jaren. Ik heb onderzoek gedaan naar Belgische producers en daarbij vond ik dat Jean-Marie Aerts iets heeft wat mij enorm bevalt. Ik heb dus aan Jean-Marie gevraagd of hij de productie wilde doen. Twaalf nieuwe nummers en een nummer uit de live-plaat ‘Kamiel In België’ dat nooit een studioversie heeft gekregen. In dat nummer (‘’k Heb je graag’) waren er twee lijntjes die me niet bevielen en ik heb ontdekt hoe je die kunt uitgommen en verbeteren. Met veel meer plezier kan ik dat lied nu zingen.’ (ADC)

 

­­­­______

 

www.raymondvanhetgroenewoud.be en www.ccbrugge.be

 

 

Oorlogskant uit Uruguay

 

 In het Kantcentrum in de Balstraat vindt nog tot 30 september een kleine, maar interessante tentoonstelling plaats over ‘War Lace’ ofte oorlogskant uit WOI. De kern van de tentoonstelling is een recente schenking uit Uruguay. Kenners prijzen de uitzonderlijke kwaliteit.

 EXit: Van Uruguay naar de Balstraat?

Rudy De Nolf (collectiebeheerder): ‘Een tijdje terug vroeg een Belgische dame, die in Uruguay woont, of het Kantcentrum geïnteresseerd was in enkele kanten kragen en manchetten van de overgrootmoeder van haar overleden man. In die verzameling vonden we ook twee grote kanten van een uitzonderlijke kwaliteit terug die we al snel als ‘War Lace’ herkenden.’

EXit: Wereldoorlog I kennen we, War Lace niet.

De Nolf: ‘Brugge telde voor de Eerste Wereldoorlog ongeveer 5.000 kantwerksters die met de komst van de Duitse bezetter werkloos werden. Dat betekende honger en woekerprijzen. Dankzij Koningin Elisabeth kwam er in 1914 hulp vanuit Amerika via het comité ‘Commission for Relief in Belgium’, opgericht door Herbert Hoover, de latere president van de Verenigde Staten. Zij leverde ook kantdraad aan een nationaal Kantcomité. De kantstukken, War Lace genoemd, werden verkocht in binnen- en buitenland en zorgden voor een klein inkomen.’

‘De tentoonstelling bevat enkele unieke stukken. We tonen enkele grote kantstukken met de wapenschilden van de Belgische provincies en met de wapenspreuk ‘L’Union fait la Force’. Bijzonder is ook een geborduurde bloem- of meelzak, afkomstig uit Canada. Het Hoovermuseum in Iowa bezit trouwens de grootste collectie versierde bloemzakken uit WO I.’ (LF)

 http://www.kantcentrum.eu. Het museum in de Balstraat is open van maandag tot en met zaterdag, van 10 tot 17 uur.

 

 

‘Jazz is een fusie van vele genres. Zo ook bij Ventilateur’

 

VENTILATEUR 018

 

Op vrijdag 7 februari mag het trio Iben Stalpaert, Daan Soenens en Jasper Hollevoet van Ventilateur warme lucht richting het podium blazen als voorprogramma van Ottla, de nieuwe band van Bert Dockx. De wind staat momenteel gunstig voor Ventilateur, want Sound Track – het nieuwe kansenparcours voor jonge muziekgroepen – schoof recent de Brugse band naar voren als beloftevol.

Eerst even een duikje in het verleden. Iben Stalpaert en Daan Soenens waren buurjongens en deelden dezelfde schoolbank. Ze begonnen op hetzelfde moment muziek te spelen (Iben: drums, Daan: gitaar) en groeiden gaandeweg naar elkaar toe. In het begin wat aftoetsen welk genre het best bij hen paste om na korte tijd uit te komen op een vorm van bluesrock. ‘Voor ons was het niet zo duidelijk welk genre we precies speelden, we waren nog volop op zoek naar onze muzikale identiteit, maar we staken als Sweaty Naked Men nummers in elkaar en speelden hier en daar enkele concerten. Toch kregen we vaak het verwijt te horen dat er enerzijds iets ontbrak in onze sound en dat we anderzijds onze songs te vol propten’, zegt Iben Stalpaert. Een derde man was dus welkom. Na een lange zoektocht leerden ze tijdens een open repetitie van L’Inconnu, de voorbode van Sunflower, Jasper Hollevoet kennen. Het klikte en na enkele rondjes jammen was het duidelijk: het duo zou zich ontpoppen tot een trio. Een vernieuwde start eiste een frisse naam en het logo van Sweaty Naked Men bood hierbij soelaas. Daarin zat een ‘ventilateur’ verwerkt…

 

‘De bluesrock hebben we losgelaten. We zijn ons beginnen te verdiepen in rock, fusion en jazz. Wij zijn geen geschoolde muzikanten, maar wat precies definieert jazz? Je kunt daar vandaag geen eenduidig antwoord meer op verzinnen, want de term dekt tegenwoordig vele ladingen. Jazz is tegenwoordig een fusie van vele genres. Zo ook bij ons.’

Zingen zonder zanger

Het is maar hoe je het bekijkt, maar wat opvalt bij Ventilateur: de band heeft geen zanger. ‘Dat klopt’, zegt Iben. ‘Het was een duidelijke keuze om een instrumentale band op te starten. We hebben vroeger geprobeerd om teksten te schrijven, maar dat hebben we snel laten varen. We willen ons niet bezighouden met teksten. We focussen ons alleen op instrumentale muziek. Toen Jasper erbij kwam, hebben we die piste aangehouden. Bij ons neemt geen enkel instrument de bovenhand. Onze instrumenten vertellen samen een verhaal en geven een emotie weer. We laten ze elk op hun beurt zingen.’

Hoe houd je dit boeiend op een podium? ‘In het begin hadden we altijd de neiging om te veel noten te spelen. We wisselden heel veel van ritmes en bedachten ingewikkelde melodieën. We waren in de overtuiging dat we het publiek moesten blijven boeien. Nu hebben we daar rust in gevonden. Het is niet omdat je instrumentale muziek maakt dat je constant nieuwe informatie moet aanbieden aan mensen. Op den duur kunnen ze het niet meer filteren en haken ze af. Less is more. We weten wat we moeten spelen, maar ook wat we niét moeten spelen. Muziek is geen exacte wetenschap. Musiceren is een constante zoektocht om de meest geschikte noten aan elkaar te lijmen zodat je een emotie kunt creëren. Tijdens onze concerten trekken we als het ware een cocon op waarin we ons verliezen. Het publiek is de vierde wand’, aldus Iben, die met Ventilateur droomt van een tournee als support act en een langspeelplaat in 2021. (ADC)

____

www.cactusmusic.be

 

 

Brugs bloed op preselecties Humo’s Rock Rally (8/2)

 

Onze blik staat op scherp wanneer de preselecties van het tweejaarlijkse muziekconcours Humo’s Rock Rally in het vizier komen. We formuleren hierbij slechts één vraag: zitten er Brugse bands tussen de geselecteerden? Affirmatief, want op zaterdag 8 februari mogen stadsgenoten B-Rose (Broos Van In), Rooftop J (Jari Marain en Ward De Bruyn), Key Controversy (Tom Desmet, eigenlijk van Hertsberge, maar kom) en Ratmosphere (Robin en Brecht Serruys) de muzikale degens kruisen in de Magdalenazaal. Die laatste band is de enige in het rijtje die het niet moet hebben van raps en (break)beats.

 

Ratmosphere is een redelijk verse naam in het Brugse muzieklandschap. Na een jaar repeteren, stoomden de broers Robin en Brecht in 2018 al twee cd’s klaar: ‘The Galley’ en ‘This Is My Logo’. De groepsnaam hebben de Serruys-brothers geplukt uit een verkeerd begrepen zin van het nummer ‘Shutout’ (op de plaat ‘Nite Flights’) van The Walker Brothers: ‘We must freeze off/This atmosphere’. Atmosphere werd dus als Ratmosphere geïnterpreteerd.

‘Samen met Robin ben ik dagelijks met muziek bezig. Inspiratie is er altijd. Ratmosphere is vrij organisch ontstaan. We maken permanent muziek, maar dat sloot niet altijd aan op het repertoire van Soviet Grass, onze andere band. Daardoor hadden we opeens genoeg materiaal om een tweede band op te richten. Als ik enkele termen op deze groep mag kleven, dan kies ik voor lofi en synthpop waarin zelfs ook bepaalde discovibes zitten verwerkt. De muziek is hedendaagser, maar ook eigenzinniger. Dat brengt wel een zekere vrijheid met zich mee.’

De taakverdeling tussen de Brugse broers is afgelijnd. Robin schrijft de songs en is ook de zanger en de gitarist van Ratmosphere. Brecht staat in voor het drumwerk, de synths en de percussie. Al de rest wordt op een creatieve wijze ingevuld aan de hand van samplepaths. ‘We werken harmonisch samen en we zijn allebei gepassioneerd met muziek bezig. We werken voor hetzelfde doel, we zetten de zeilen in dezelfde richting. Als we al eens van mening verschillen, dan geraken we er snel uit. Robin is het gezicht van de groep en komt vaak met nieuw materiaal op de proppen. Tijdens het opnameproces is hij wel de prominente figuur, maar hij laat me daarbij ook een grote rol spelen. Voor het live-aspect moeten we goed bekijken hoe we het concreet invullen. We staan maar met twee op het podium, dus moeten we een en ander wat minimaliseren wat betreft bas en samples’, vertelt Brecht.

Op stap met Balthazar, Warhaus en Black Box Revelation

Repeteren doen Robin en Brecht in een afgelegen boswachtershuisje. Alle nummers van Ratmosphere werden daar door Robin geschreven. De omgeving is er weids ‘natuurlijk’ en meteen de ideale voedingsbodem om het oeuvre aan te scherpen. Oorspronkelijk was het niet de bedoeling om met de muziek naar buiten te treden, maar toen Maarten Devoldere van Baltazar en Warhaus lucht kreeg van deze muzikale parels, moesten de Serruysjes een versnelling hoger schakelen. Ze ontvingen immers een aanbieding om als voorprogramma van Warhaus op te treden in Italië (Milaan) en Zwitserland (Winterthur).

In november 2019 kregen ze opnieuw een mooie kans: drie weken lang mochten ze mee de hort op met de mannen van The Black Box Revelation, al voor de tweede keer, in België en Nederland. Overal uitverkochte zalen en schouderklopjes voor de Brugse broers. ‘We vinden stilaan onze weg en ik heb de indruk dat het de juiste weg is, al is die soms nog bezaaid met obstakels. Gelukkig voelen we ons als broers elkaar perfect aan. Met ons tweeën zorgen we ervoor dat elke noot de ruimte vult. Die tournee was een goede leerschool. We hebben veel geleerd van Warhaus, The Black Box Revelation en Balthazar waarmee we in Frankrijk hebben getourd. We komen er wel met Ratmosphere’, aldus Brecht Serruys. (ADC)

 

www.cactusmusic.be, www.humo.be

 

 

Een mix van stijlen en culturen

 

In 2009 sierde de Nederlandse harpiste Andrea Voets onze EXit-pagina’s in de rubriek ‘Jonge Brugse Zwanen’. Intussen sloeg Andrea haar vleugels uit (terug) naar onze noorderburen, waar ze artistiek leider is van Resonate Productions en met haar teams musical journalism in de vorm van documentaire-concerten en podcasts maakt met als doel ‘emotionele blinde vlekken in de samenleving aan het licht te brengen’. Ze werkt bij debatcentrum de Balie in Amsterdam en brengt nu met ‘Wings & Roots -shaping identity between cultures’ haar eerste documentaire-concert op zaterdag 8 februari in het Concertgebouw. ‘Dankbaar dat ik de kans krijg om me welkom te voelen in Brugge.’

 

EXit: Bij mijn weten lanceer jij met Wings & Roots een nieuw concept: een documentaire-concert. Wat houdt dit precies in?

Andrea Voets: ‘Ik ben naast harpiste ook ‘musical journalist’. Ik combineer zelf geproduceerd journalistiek (film)materiaal met livemuziek tot documentaire-concerten. Het doel is om emotionele blinde vlekken in de samenleving aan het licht te brengen. Ik kan dankzij subsidie uit Nederland werken in De Balie in Amsterdam, het belangrijkste huis voor debat. Daar is Wings & Roots (W&R) ontstaan.’

 

EXit: Wie maakt deel uit van de bezetting?

Andrea: ‘Per show kies ik nieuwe musici. Ik wil dat ze altijd een sterke persoonlijke connectie hebben met het thema. Ik heb ze nodig als complete mensen. W&R wordt gespeeld met allemaal interculturele musici: Shishani (BE/NL/Namibië), John (Palestina/DE/CA), Evi (GR/DE), Bodek (RU/DE/PL/Kazachstan) en ikzelf (BE/NL/GR/DE).’

 

EXit: In jullie voorstelling staat het woord ‘identiteit’ centraal?

Andrea: ‘W&R gaat over de de ‘Third Culture’: een mooie, neutrale verzamelnaam voor iedereen die om welke reden dan ook geen simpel antwoord heeft op de vraag ‘waar kom je vandaan?’. ‘When you always relate and never belong.’ Ik wilde ontdekken wat de verborgen gevolgen zijn van zo’n bestaan-tussen-culturen voor iemands leven en identiteit. Tijdens dit documentaire-concert zien we daarom de echte therapiesessies van alle musici met een transcultureel psychiater. Na jaren van constant schakelen, loyaliteitsconflicten en vooroordelen, maken we nu van al onze stukjes één geheel. Onze livemuziek is de belangrijkste schakel in het helende proces. We spelen elkaars muziek, waarin alle landen en stijlen door elkaar verweven worden. Het resultaat is een echte ‘Third-Culture-mix’.’

 

EXit: Welke boodschap willen jullie vertellen aan het publiek?

Andrea: ‘Ik heb 1,5 jaar fulltime gewerkt aan W&R. Het heeft mij als mens veranderd, doordat ik nu echt kan voelen dat ik meerdere identiteiten tegelijkertijd draag. Het is niet OF-OF, maar EN-EN. Elk mens moet zich tot elk deel van jezelf kunnen verhouden om ten volle te kunnen leven. Veel interculturelen worden jarenlang door een zinloze identiteitscrisis heen geduwd. Na de première in Amsterdam deed een reactie van een toeschouwer me veel deugd: Die zei: ‘Ik heb altijd geworsteld in het land tussen culturen. De show zorgde ervoor dat ik me eindelijk goed kon voelen over mezelf.’ Ik hoop dat zoveel mogelijk mensen, geïnspireerd door de show, kunnen thuiskomen bij zichzelf, ondanks de retoriek van de buitenwereld.’

 

EXit: De show vertelt ook over jouw moeilijke integratie in Brugge toen je jong was. Op welke manier ondervond je hier problemen?

Andrea: ‘Ik ben geboren en getogen in Brugge, ik vertrok pas toen ik 17 was. Mijn beide ouders zijn Nederlands. De stad is mijn blauwdruk voor het leven, maar het voelde alsof ik de realiteit om me heen nooit vanzelf mocht delen met de mensen om mij heen. Dat geeft een heel onveilig gevoel, zeker aan kinderen die in zo’n tussenwereld zijn geboren. Van mijn allereerste tot mijn allerlaatste schooldag ben ik nagepraat vanwege mijn accent. Ik worstelde ook met een typisch loyaliteitsconflict (tussen thuis- en landscultuur), waardoor ik tot mijn grote spijt nooit Vlaams heb kunnen spreken. Ik ben het Concertgebouw wel enorm dankbaar, omdat ik de kans krijg me op een prachtige manier welkom te voelen in Brugge.’ (ADC)

 

_______

 

http://www.facebook.com/musicaljournalism

 

 

%d bloggers liken dit: