Exit Magazine

Maandelijks Brugs Cultuurblad

Schrijfster Dalilla Hermans: ‘Mijn einddoel? Laat de rede terug keren’

(foto EDM) 

De voorbije zomer hield ze een siësta, met uitzondering van deelname aan Bomboclat, het Caraïbisch muziekfestival in Zeebrugge. Vandaag staat ze terug op scherp, want de uitnodigingen voor spreekbeurten en columns tikken weer aan. Concertgebouw Brugge strikte haar als seizoensdenker, een deelname die past in het jaarthema ‘Ik ben weer velen’. Om een stevig standpunt zit Dalilla niet verlegen, u bent gewaarschuwd. Op haar programma, vooral ‘talks’ met creatievelingen allerhande, met mensen die ze interessant vindt.

 

EXit: Uw deelname aan Bomboclat was een van de betere momenten van dit sympathieke festival.

Dalilla Hermans: ‘Dit jaar zat werkelijk alles mee: schitterend weer en uitverkocht, in tegenstelling tot vorig jaar toen het festival uitregende. Ik had er een eigen hoekje in open lucht. Mijn functie was onder meer om de spirit van het festival te bewaken. Bomboclat is meer dan dans en drank en de formule heeft gewerkt. Dat heeft natuurlijk te maken met de programmering van de artiesten en de sfeerschepping, maar wie er was stond er voor open. Er heerste een gemeenschapsgevoel. Wie er was, heeft zo’n beetje dezelfde visie op de wereld.’

EXit: U bouwde het voorbije jaar een rustperiode in. Hoge nood?

Dalilla: ‘Zeker, en dat lukte wonderwel gelukt. 2018 was veel te hectisch, extreem zelfs. Ik genoot nog na van deelname aan De Slimste Mens, mijn eerste en tweede boek lagen in de rekken, ik hield 104 spreekopdrachten én ik had een baby van zes maanden. Heb toen thuis beloofd: dat doen we nooit meer. 2019 verliep rustig.’

EXit: Bent u een schrijfster of een geëngageerde mediafiguur?

Dalilla: ‘Die twee zaken lopen door elkaar, maar mocht ik de keus en bijbehorende verdiensten hebben, dan schrijfster. Ik word daar het meest gelukkig van, daar haal ik de meeste energie uit. Door te schrijven leer ik mezelf beter begrijpen, het soort begrijpen dat ook dagboekschrijvers ervaren.’

‘Door een zomer lang on hold te zijn, merkte ik wel dat het nieuws harder binnenkwam. Daarom ben ik blij met de regelmaat van de column. (LF. 14-daags in De Standaard). ‘

EXit: Met de pen in aanslag keerde ook de kritiek terug?

Dalilla: ‘Die kritiek komt er sowieso en heeft weinig te maken met wat ik schrijf. Er is natuurlijk het onderscheid tussen de gefundeerde kritiek van de krantenabonnee en de grove praatjes van die andere groep op sociale media. Die hebben voldoende aan een foto en een titel om tekeer te gaan. Het maakt dat piepkleine segment van de bevolking niet uit wat ik zeg.’

EXit: Dit jaar pakte u voor het eerst uit met een roman, Black Out, die werd aangekondigd als een ‘thriller’.

Dalilla: ‘Welk genre het precies is, is voor interpretatie vatbaar. Het gaat over moord, maar is zeker geen klassieke thriller.     Lezers van thrillers zullen hier niet de spanning vinden van een klassieke thriller. Het boek vertelt over de moord op een jonge activiste en een vleesgeworden internettrol die de ultieme stap zet. De ontvangst in de pers was globaal positief. Natuurlijk zijn er nog ‘werkpunten’, want dit is de eerste keer dat ik fictie schreef. De Nederlandse uitgeverij (Horizon) steunde mij volop. Ik werkte er met een fijn team, geen dwingelands.’

EXit: Als ‘seizoensdenker’ van het Concertgebouw werkt u voor een ‘wit’ en ouder publiek. Dat wordt wennen?

Dalilla: ‘Let op, ik was totaal verrast toen Jeroen Vanacker (LF. artistiek directeur) mij uitnodigde. Ik wist niet hoe de formule werkte. Van het Concertgebouw kende ik alleen de clichés, maar ik ben geschrokken van het feit hoeveel hier gebeurt. Ik had ook de seizoensvoorstelling meegemaakt en het publiek leek mij daar heel open en dat is het enige dat je nodig hebt om een ervaring interessant te maken. De leeftijd van het publiek maakt niet uit. Het feit dat ze bij hun (seizoens)keuze bij mij uitkwamen, zegt ook iets over de manier waarop ze naar buiten kijken. Ik vind het hier fijn werken en het team is heel divers en jong.’

EXit: Identiteit en diversiteit zijn twee thema’s waar u graag op borduurt. Hoe reageert de cultuursector daarop?

Dalilla: ‘De cultuurwereld blinkt uit in identiteit, maar niet in diversiteit en dat geldt ook voor andere sectoren. Er is nochtans veel goodwill en goesting om een divers publiek aan te trekken, maar het blijft een moeilijke oefening. Er blijft veel werk op de plank. En misschien zijn sommige cultuurhuizen, en ik reken daar het Concertgebouw niet bij, veel te snel tevreden met hun programmering. Het is een proces dat van binnenuit moet gevoed worden. Ze moeten zich de vraag stellen: wat maken wij en voor wie?’

EXit: U richt uw pijlen ook op de media.

Dalilla: ‘De media an sich zijn niet goed bezig. Als zij diversiteit beperken tot een aantal grote namen met een migratieachtergrond is dat niet genoeg. Kijk naar de redacties, bemand door wit en hoogopgeleid. Daar is niks mis mee, ik ben zelf getrouwd met een blanke man (LF. uit Brugge), maar ‘de beslissers’ zijn altijd dezelfde mensen. Daardoor worden hele muziekgenres niet gehoord en gezien. Het wordt onbekend gemaakt.’

‘De grote fout die zowel de media als de culturele wereld maakt, is dat ‘de markt’ waarover ze spreken alleen ‘de markt’ is die ze kennen. Ze beseffen niet dat er veel mensen zijn die niet in dat klassieke vakje horen. Ik hoor de sector vaak klagen ‘ze komen niet naar ons’, wel, programmeer eens iets die deze gekleurde groep aanspreekt.’

EXit: Laten we positief eindigen: wat is uw boodschap?

Dalilla: ‘Ik heb een heel concreet doel, al klinkt het misschien een beetje soft: laat ons terugkeren naar de rede. De mensen willen samenleven en samen wonen.’

‘Seizoensdenker zijn van het Concertgebouw, theaterteksten schrijven, columns schrijven, in gesprek gaan met anderen, dat zijn allemaal zaken die enorm veel energie en hoop geven en waar ik veel meer mee bezig ben dan eender welke negatieve commentaar.’ (LUC FOSSAERT)

Dalilla Hermans, Black Out, uitg. Horizon.

 * Dalilla is actief in het Concertgebouw op 8.11, 26.1, 8.2 en 27.2 (zie www.concertgebouw.be)

* Dalilla is geboren in Ruanda, maar groeide op in de Kempen. Woont nu in Berchem.

* Getrouwd met de Brugse rapper Willem Blontrock.

* Wonen in Brugge staat op het wenslijstje.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Verbeelding aan de macht

 

Recent gaven Bart Geernaert van De Republiek en Lennart Claeys van het Brugse architectenbureau Dertien12 toelichting bij het ambitieuze project van de Stadsrepubliek. Belangstellenden konden deelnemen aan een speciale rondleiding door het Schouwburgkwartier, met zijn vele mogelijkheden voor de toekomst. Eric Van Hove was erbij en brengt verslag uit.

De Brugse stadsgids Maarten Noë nam (tijdens de jongste OMD) ons gezelschap op sleeptouw, en deed dat voortreffelijk. Het vroegere Schouwburgkwartier wordt nu in menige publicatie herleid tot een soort hoerenbuurt avant- la-lettre, maar in de praktijk was het anno 1865 nog altijd een belangrijke handelswijk: misschien niet meer zoals in de middeleeuwen hét mercantiele centrum van Brugge, want dat was met de aanleg van de Handelskom en de bouw van het eerste station van Brugge wel wat verschoven. Maar goed, in de buurt waren er inderdaad welgeteld vijf ontuchthuizen en de plaatselijke legercommandant liet er uit vrees voor ziektes en/of relletjes wel regelmatig patrouilleren, maar anderzijds was het toch ook nog altijd een wijk met een goeie sociale en ruimtelijke mix. Ga maar eens kijken naar de mooi opgebouwde tentoonstelling over 150 jaar Stadsschouwburg in het Arentshuis.

Ook nu nog is het hele gebied ten noordwesten van de (Grote) Markt van Brugge – laten we gemakshalve zeggen: de buurt van De Republiek – een plek in de stad waar men een heel eigen mix heeft van stadsbewoners, stadsgebruikers én stadsbezoekers. Hier niét zoals in de gouden driehoek, waar het toeristisch bedrijf de overhand genomen heeft op het gewone leven in de stad, maar anderzijds toch ook nog wat anders dan die oude woonbuurten à la Sint-Gillis en Sint-Anna, waar de tijd wat stiller is blijven staan en je niet direct meegezogen wordt in een stedelijke dynamiek.

Vertrekpunt

Die plek dus, dat wordt ons vertrekpunt. En dan gaan we op wandel, van de Stadsschouwburg naar Hof Bladelin in de Naaldenstraat: enige jaren geleden zag Rik Torfs dat wel zitten als pied à terre van de K.U. Leuven in Brugge, maar toen zijn opvolger Luc Sels enige jaren later de rekeningen inkeek, ging dit plan terug naar af. En dus blijft het nu uitkijken wat er in de toekomst te gebeuren staat met dat prachtige stadspaleis, ooit één van de belangrijkste Europese filialen van de Florentijnse bankiersfamilie de Medici. Nu huizen daar nog twee oude, eerbiedwaardige zusters en van hen kreeg onze stadsgids de sleutels mee waarmee je juist om de hoek, in de Grauwwerkersstraat, een poortje kunt binnengaan. Wie hier ooit langs fietste, heeft zich zeker al eens afgevraagd wat er achter die muren wel verscholen ging. Welnu, op zo’n rondleiding krijg je het antwoord: een prachtige binnentuin, met prieeltje, fruitbomen en paden, alles piekfijn onderhouden. Een heuse oase in de stad.

Hoe zou zo’n juweeltje nu meer en beter gebruikt kunnen worden?

Dàt zijn vragen voor het project van de Stadsrepubliek. Zoals men dat ook kan vragen over de schepjes aan het eind van de straat, over het Sint-Jakobsplein dat nu voor amper twaalf geparkeerde wagens wel op een autokerkhof lijkt, of over de verloederde binnenruimtes in de schaduw van het Prinsenhof, of het binnenplein van het stedelijk Conservatorium: officieel een openbare plek, maar door zeer weinig Bruggelingen gekend of bezocht. Wat met De Republiek, wat met de Biekorf, waar het cultuurcafé van zilveren Noël (Van Oyen) toch ook tijdens de dag een uitnodigende plek zou kunnen worden voor al wie de bib of de stad intrekt?

Bonbonnière

En dan heb je natuurlijk nog de Stadsschouwburg zélf, inmiddels 150 jaar jong. De brede parallelstraten rond de Schouwburg lopen er momenteel nog wat slonzig bij, de afgelopen maanden zorgde URB EGG ter plekke wel voor wat animatie, al hoorde je bij een aantal mensen toch ook wel de klacht dat het dit jaar een wat tochtige plek was, vooral de dagen dat het zonlicht er niet echt doorkwam. Op zo’n dagen zou je natuurlijk graag kunnen terugvallen op de Foyer van de Stadsschouwburg, die eigenlijk alles in huis heeft om tot een waar Grand Café van Brugge uit te groeien. Maar in tegenstelling tot haar eerbiedwaardige leeftijdsgenoot de Bourla in Antwerpen, is de Foyer in Brugge tijdens de dag niét open voor al wie er pakweg een koffie met gebakje zou willen nuttigen. Mag ik dit zonde vinden?

Ok, Peter Devisch geeft in een vriendelijk mailtje wel mee dat vorig jaar van september tot half mei er 147 dagen activiteiten waren in de Foyer: inleidingen, pauzes, persconferenties, workshops, etc… en verder ‘ook nog zeven dagen verhuring aan Foyeruitbater voor bedrijven en congressen, maar geen particuliere verhuur mogelijk.’ Dat is alvast genoteerd. Maar, plus est en vous, zou ik zo zeggen, Dertien12 gaf eerder al schetsen vrij waarin ze de droom van een Grand Café met eigen, afzonderlijke toegang en terras meteen concreet maakten. Voorlopig zijn dit nog (verre?) dromen, maar wie hier ooit een piepjonge en (toen nog) hyperzenuwachtige Martine Tanghe in de hoogdagen van VAKA (Vlaams Aktiecomité tegen Atoomwapens) voor een …bomvolle zaal een debat met de Vlaamse partijvoorzitters in goede banen zag leiden, die weet dat die Foyer ook een uitgelezen plek zou kunnen vormen voor grote maatschappelijke debatten in de stad.

Kortom, het hele Schouwburgkwartier is een kwartier bij uitstek waar men voor de nabije of verre toekomst nog heel wat dromen kan projecteren: het delen van ruimtes, het delen van ideeën vooral. Wat ooit door Jorijn Neyrinck als een uitdagend Stadsportaal was opgestart, is inmiddels een heus Vlaams stadsvernieuwingsproject geworden, met inmiddels ook 2 miljoen euro Vlaams geld.

Deelplannen

Eigenlijk is dat zelfs iets dat niet alleen voor het Schouwburgkwartier of de Stadsrepubliek zou moeten gelden, je zou dat ook naar de hele stad kunnen doortrekken. Dat was trouwens oorspronkelijk ook zo voorzien in het structuurplan begin jaren zeventig, bij de start van Groot-Brugge: eerst zou men in de binnenstad pand per pand heel precies in kaart brengen, daarna zou men deelplannen met noodzakelijke ingrepen per stadskwartier opmaken om dan daarmee terug te koppelen naar de algemene beginselen van het structuurplan. In de praktijk werd er enkel van het eerste echt werk gemaakt: die inventaris pand per pand kwam er, weinig steden in België zijn zo goed gedocumenteerd over hun eigen huizenpatrimonium als Brugge, maar de deelplannen die verdere ingrepen in de wijken moesten kaderen, zijn met de jaren weggevallen of naar de achtergrond verwezen.

Gevolg? Brugge is zeer goed geëquipeerd om individuele aanvragen of kleine bouwprojecten met zorg te begeleiden, en doet dat ook, maar voor structurele of gewoon inventieve ingrepen in de wijken missen we gewoon de juiste instrumenten: hier geen stadsontwikkelingsbedrijf bijvoorbeeld, wat in bijna alle andere Vlaamse centrumsteden een onmisbaar instrument is waarmee de overheid ook sturend optreedt in de ruimtelijke ordening. Ok, zo’n stadsontwikkelingsbedrijf is maar een middel, daar gaat het nu niet om, wat telt is dat de overheid hier ook een sturende taak heeft en dat je je ruimtelijke ordening niét aan de vrije markt overlaat. Vooreerst is die vrije markt voor al wie niét tot de middle of de upper class behoort, helemaal niét vrij. Maar bovendien mis je zo kleine, maar betekenisvolle impulsen die nooit van de privé komen, maar die buurten en wijken soms een heel nieuw leven kunnen doen leiden.

Waterponton

Denk maar even terug aan het waterponton van atelier Bow-Wow en Dertien12 aan de Sint-Annarei tijdens de eerste Triënnale, enkele jaren geleden: hoe zo’n kleine ingreep meteen de beleving van een heel traditionele omgeving in een handomdraai kon veranderen: waar de Spiegelrei en de Spinolarei normaal alleen nog toeristische vaarroutes zijn, werd dat ponton op het water nu in een mum van tijd de rendez-vous- en belevingsplek van heel wat jongeren die in de buurt school lopen. Waar Brugge een oud imago heeft en het toeristisch circuit ook helemaal in traditionele zin opgevoerd wordt, werd één van de oudste elementen van de stad, namelijk het water van Brugge, nu opeens een kans: een plek waar het jonge volkje gewoon kon chillen en zonnen en een frisse duik nemen: de stad als een plek waar weer wat te beleven viel, niet enkel als een toeristisch postkaartje…

Die ingesteldheid, deze manier van werken zou men nu opnieuw in de ruimtelijke ordening moeten kunnen doortrekken: wijken en buurten niet enkel zien als mooie, maar versteende relicten uit een ver verleden, maar als plekken waar men mits wat durf en verbeelding weer heel wat mogelijkheden tot leven kan roepen. Komaan dan, ook een lange tocht start met een eerste stap. Laat de uitnodiging voor de Stadsrepubliek niet links liggen, laten we daar alvast de kansen grijpen die dit boeiende stadskwartier onmiskenbaar in zich heeft. En laat dit dan de aanloop zijn naar een meer structurele aanpak in de ruimtelijke ordening, die terug aanleunt bij de ambitie van de deelplannen van vroeger: de stad is wat we er zélf van maken.

Het oude structuurplan van 1972 begon overigens met een mooi citaat van Aldo van Eyck: ‘Een stad die de creatieve potentie en de spontane initiatieven van haar bewoners uitsluit en alleen weerspiegelt wat mensen erin doen en niet wat zij er zelf voortdurend aan doen, aan toevoegen en veranderen, schakelt zichzelf uit – sterft.’

We zijn inmiddels een halve eeuw verder, wie neemt de draad terug op: verbeelding aan de macht? (ERIC VAN HOVE)

De tentoonstelling over ‘150 jaar Koninklijke Stadsschouwburg Brugge’ in het Arentshuis loopt nog tot zondag 1 maart 2020

 

 

 

Mysteries uit het witte dorp

(fotoEDM)

 Een boek in eigen beheer? Als uitgevers geen interesse tonen, blijft het de droom van menigeen die zijn naam wil vereeuwigd zien op de cover van zijn literaire pennenvrucht. De jongste aanwinst op de EXit-tafel is ‘Niets is wat het lijkt/ Het witte dorp van Vicky Boerjan (afkomstig uit Lissewege) die publiceert onder haar nom de plume Bo Vickery.

Vicky Boerjan was indertijd kabinetschef van gouverneur Carl De Caluwé, maar een lang aanslepende burn-out en een rustperiode bracht haar op het idee van het schrijven van een thriller. In de hoofdrol Lissewege en de (eeuwige) schat van de Tempeliers, die indertijd al naar boven werd gehaald door de Lisseweegse veelschrijver en jeugdauteur Johan Ballegeer.

Het verhaal telt twee verhaallijnen met zowel een seriemoordenaar als een vrouwelijke commissaris in de hoofdrol. De kille doder moordt er vrolijk op los, in Lissewege nota bene, en spiegelt zich daarvoor op de zeven hoofdzonden, gebaseerd op het werk van Dante Alligherie. Hierdoor piept natuurlijk ook de bekende film Se7en aan het venster met zijn zeven moorden, gebaseerd op de zeven hoofdzonden.

De tweede verhaallijn gaat over de zoektocht naar het geheim van de Heilige Graal, de vermeende schat van de Tempeliers. Er wordt een geheim getal ontdekt in de kerk van Lissewege waarin, volgens de auteur, veel elementen verwijzen naar de schat.

Fictie? Realiteit? De auteur laat het antwoord aanvankelijk in het midden, maar beklemtoont uiteindelijk dat het boek ‘pure fictie’ is. De lezer moet het stellen met ‘De werkelijke schat ligt in jezelf’. Voor de fans. (LF)

Niets is wat het lijkt/ Het witte dorp, Bo Vickery (bestel via site BookSpot.be

Een halve eeuw Steven Van Havere, goed voor drie concerten

 (foto EDM)

‘Ik heb in mijn leven veel kansen gekregen, maar wel allemaal zelf afgedwongen’

 

Tromgeroffel! Het jaar 2019 wordt een speciaaltje voor drummer en Metronoomdirecteur Steven Van Havere (°1969), want hij mag voor diverse gelegenheden de verjaardagstaart aansnijden: hij werd in september vijftig jaar (Abraham klopte op de deur) en het is precies twintig jaar geleden dat hij met zijn band Arid de succesvolle debuutplaat ‘Little Things of Venom’ uitbracht. Beide verjaardagen zijn goed voor concerten, waarvan twee in de AB in Brussel (29 en 30/11) en een in de Koninklijke Stadsschouwburg Brugge (19/10), ook al een jarige.

 Onder de noemer ‘The summer of 69’ vindt op zaterdag 19 oktober het verjaardagsconcert van en voor de Brugse drummer plaats. ‘Op die avond maak ik deel uit van de Metronoomband en speel ik samen met een aantal gasten die in de laatste drie decennia mijn muzikaal pad hebben gekruist, allemaal nummers uit 1969, mijn geboortejaar’, zegt Steven Van Havere. ‘Wat een ongelooflijk jaar was me dat, zeg! Sla er de geschiedenisboeken maar eens op na en kijk wat er in die 365 dagen allemaal is gebeurd, van een maanlanding tot een Belg die de Tour de France heeft gewonnen. En de muzikale productie in 1969 was ook een grand cru: platen van The Beatles, The Rolling Stones, Led Zeppelin, Neil Young, The Who, Bob Dylan… Ik beschik over een zeer weelderige keuze aan toffe nummers om de avond in te kleuren, met topmuzikanten aan mijn zijde. Het concert past ook perfect in het nieuwe festival ‘Nothin’ But Covers’ van Cultuurcentrum Brugge. In de maand oktober zullen verschillende Brugse bands 150 covers in diverse cafés spelen, dit als eerbetoon aan de Koninklijke Brugse Stadsschouwburg die 150 jaar wordt. Het komt allemaal samen.’

EXit: Sinds de opstart van je muziekschool Metronoom in 2012 stond het actief drummen bij jou eerder op een laag pitje?

Steven Van Havere: ‘Ja, het vele werk in de school slorpte me helemaal op. Ik had mijn actieve muzikale carrière min of meer begraven, maar dankzij het Cultuurcentrum Brugge kreeg ik de kans om in 2017 te spelen tijdens de Brugotta Awards. Dat beviel me weer zo goed dat ik daarna op de twee Tribute-avonden voor Madonna (2018) en Tom Waits (2019) met plezier weer achter het drumstel ben gekropen.’

EXit: Herinner je je eerste liefde voor de drum nog?

Steven: ‘Ja, ik kreeg een trommeltje als Sinterklaascadeau en daarna is een trommel of drum nooit meer uit mijn leven geweest. Ik kan me zelfs geen moment meer herinneren zonder dat muziekinstrument. Ik ben autodidact, ik heb nooit les gevolgd, maar ik had wel een goed gevoel voor ritme en timing.’

EXit: Zegt de directeur van een muziekschool…

Steven (lacht): ‘Ha, correctie, ik ben wel naar het Conservatorium geweest, maar ik heb het daar maar enkele weken volgehouden. De manier van lesgeven daar was geen spek voor mijn bek. Hoe geoefend? Enkele workshops bijgewoond en vooral veel meespelen met muziek. Mijn eerste elpees van The Police, Blondie, Deep Purple en Tubeway Army heb ik grijsgedraaid. Oefening baart kunst. Logisch, want wat je graag doet, doe je veel. Zelf geloof ik meer in hard werken dan in talent. Wie een uur per dag oefent, zal meer progressie maken dan iemand die enkel op zijn talent teert.’

EXit: Wat vonden ouders en buren daarvan?

Steven: ‘Geen probleem mee, mijn ouders konden dat perfect verdragen, mijn moeder moedigde me zelfs aan. Mijn vader was havencommandant en wij woonden aan de hoek van de Coiseaukaai in een huis met drie verdiepingen. Als ik boven speelde, hadden ze beneden geen last van mijn drumuitspattingen. De nieuwe generatie heeft het nu beter, want met die digitale drums kun je het volume veel beter regelen.’

‘In mijn puberjaren was ik helemaal into hardrock en dweepte ik met idolen als Ian Paice, Keith Moon, John Bonham en Zak Starkey, de zoon van Beatles-drummer Ringo Starr. Zulke mensen zijn belangrijk om je liefde voor muziek aan te zwengelen.’

EXit: Op je 24ste had je een ‘lucky break’, want je mocht beginnen als drummer bij Gorki.

Steven: ‘In het voorjaar van 1993 ben ik bij Gorki terechtgekomen. Ik hoorde via bassist Erik Van Biesen, met wie ik in de groep Diamond Dogs zat, dat zanger Luc De Vos op zoek was naar een nieuwe drummer om een reeks optredens af te werken. De audities vonden plaats in de Gentse Vooruit. Die dag deed ik zelfs twee audities, want manager Noelle Vanhelsuwé had ook nog Wigbert Van Lierde onder zijn hoede. Het verrassende nieuws was dat ik bij alle twee mocht beginnen, maar ik koos voor Gorki. We zijn er razendsnel ingevlogen, want enkele maanden en vele optredens later zaten we al in Dakar (Senegal) voor de opname van de cd ‘Hij Leeft’.’

EXit: Het verhaal van Arid dat voor jou al in 1997 startte, zou nooit mogelijk geweest zijn zonder Gorki. Het was namelijk Vos die jou eigenlijk heeft aangespoord om bij Arid te gaan drummen…

Steven: ‘Ja, op aanraden van Vos klopte ik bij Jasper Steverlinck aan en bleef ik plakken. Ah, Vos heeft zich dat niet beklaagd, hij was een toffe mens die een ander het geluk gunde en ik heb zes fantastische jaren meegemaakt met Gorki. Met Arid gingen we meteen van start om een repertoire te maken. We kregen vrij snel een platencontract en namen in 1998 onze debuutplaat ‘Little Things of Venom’ op om het jaar daarop uit te brengen. We zaten bij het Brusselse platenlabel Double T Music en dat waren gouden tijden. Het label trok serieus de portefeuille open voor ons. We mochten zelfs drie videoclips opnemen, al kostte dat samen meer dan 120.000 euro. Het avontuur van die platenrelease, de buitenlandse tournees met onder meer Counting Crows, jezelf zien op MTV… We hadden echt het gevoel dat we de wereld aan het veroveren waren. Dat gevoel…, dat was een van de mooiste periodes in mijn leven. Ik was toen 29 jaar. Bij Gorki was ik de benjamin, bij Arid was ik de ancien.’

EXit: The sky was the limit, maar dan…

Steven: ‘We zaten op een rollercoaster, maar opeens begon die te haperen. We hadden de pech dat Double T Music overgenomen werd door Sony. Vanaf dan is het misgegaan. We werden plots ‘degradeerd’ tot een Beneluxgroep. De budgetten gingen naar beneden en die grote internationale ‘mindset’ was volledig weg. Voor ons was dat een grote teleurstelling, want we hadden overal in de wereld gespeeld. De grote internationale doorbraak voor Arid is daardoor uitgebleven. In België hebben we wel alles meegemaakt wat mogelijk was voor een groep van onze status: mooie concerten, grote festivals, gouden platen… We kijken met trots terug op onze muzikale geschiedenis.’

EXit: Toen Arid een rustpauze inlaste, kon je je drumkunsten kwijt bij Hooverphonic, een andere topgroep.

Steven: ‘In 2006 hebben we met Arid nog een plaat gemaakt, maar Jasper was toen ook al bezig aan een solocarrière en ik kon letterlijk aan de slag bij Hooverphonic. Ik heb het geluk gehad dat ik dit vijf jaar kon combineren. Een schitterende periode, we speelden enorm veel concerten. Het was een tijd van veel vliegen en op tourbussen zitten. Op een bepaald moment vielen de agenda’s samen en moest ik de keuze maken. Aangezien ik een derde was van Arid, heb ik voor die groep gekozen. Bij Hooverphonic was ik gemakkelijker inwisselbaar. Ik heb in mijn leven misschien veel kansen gekregen, maar ik heb ze wel allemaal zelf afgedwongen.’

‘In 2012 speelden we ons laatste concert op de Lokerse Feesten. We hadden het gevoel dat het verhaal van Arid verteld was en dat we beter op een mooi moment konden stoppen. Al hadden we wel afgesproken dat we ons debuutalbum na twee decennia zouden ‘vieren’. Dat moment is er straks eind november, in de Ancienne Belgique met twee concerten in de Rewind-reeks. Ik kijk er geweldig naar uit, want zoals ik al zei, heb ik het plezier van het spelen herontdekt.’ (ADC)

www.ccbrugge.be en www.metronoom.be

Drummer Kobe Gregoir invites in De Werf

 

Onder de vleugels van KAAP mag de jonge Brugse drummer Kobe Gregoir (24) de affiche voor een volledige concertavond samenstellen, waarbij drie verschillende bezettingen aan bod komen . Kobe koos er onder andere voor een aantal jonge bevriende muzikanten uit de Haagse jazzscene naar Brugge te brengen. Een proevertje van wat zich op jazzpodia afspeelt in de bestuurlijke hoofdstad van Nederland kan men op vrijdag 18 oktober gaan beluisteren in De Werf. Daarnaast heeft KAAP met nog twee concerten in De Werf een goedgevulde affiche voor de maand oktober.

 

Kobe Gregoir was een erg prille tiener toen het muziekvirus zich onder zijn huid nestelde. Na de plaatselijke jeugdmuziekschool in Assebroek trok hij op zijn vijftiende naar de Kunstacademie van Knokke waar – lang voordat zoiets in het Brugs Conservatorium geduld werd – jazzdocenten aan de slag waren. Daarna zette hij zijn opleiding verder aan de kunsthumaniora MUDA (Gent) en liet zich daar in zijn verdere ontwikkeling begeleiden door muzikanten die zich inmiddels al stevig op het pad van de ervaring bevonden : Lander Gyselinck, Lionel Beuvens, Bruno Catellucci, Antoine Pierre…

Den Haag vandaag

Sinds september 2015 studeert Kobe aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag. Hij laat er zich verder opleiden door Erik Ineke, Felix Schlarmann, Stefan Kruger. Het is in die Haagse biotoop dat Kobe kennismaakte met een paar jonge muzikanten die ondertussen al onder de naam Sitting Horns het podium opzochten. Componist/saxofonist Kasper Moliin (Denemarken) neemt in deze band het voortouw. Daarnaast vinden we Simon Kalker (NL) op contrabas, Magnus Baugis (Letland) op trompet en op vocals, en Ukko Heinonen (Finland) op tenor sax. Deze laatste prominent aanwezig op het podium : de ‘Peter Sagan’ van de sax mag ik graag over hem denken, omwille van de combinatie van streven naar professionaliteit, ongedwongen speelsheid en een vleugje aanstekelijke nonchalance. Sitting Horns was al een aantal keer te gast in 27b flat in Brugge, op 9 maart jongstleden nog ter gelegenheid van de release van hun eersteling ‘Horns that sit’. Deze jonge band met groeimarge opent de concertavond.

Na Sitting Horns is het de beurt aan het Claudio jr. De Rosa 4tet. De uit Napels afkomstige saxofonist De Rosa releaste in mei 2017 de in Nederland opgenomen eersteling ‘Groovin’Up!’ (Incipit Records). Een paar muzikanten die deze opname mee tot stand brachten delen het podium voor dit concert in De Werf om te komen tot een kwartet dat een afwisseling van lyrische en dynamische momenten belooft.

Afsluiten doen we met het Bruteleiir Collectiif, een sextet samengesteld uit jonge Belgische, Franse en Nederlandse jazzmuzikanten : Ambroos De Schepper (altsax), Sylvain Debaisieux (tenorsax), Pierre-Antoine Savoyat (trompet), Simon Groppe (piano), Matteo Mazzu (bas) en – de link naar Nederland – Denis Baeten (drums), allen twintigers. Te ontdekken jeugdig enthousiasme!

Het verscheiden van de tijd
Enkele dagen daarvoor, op woensdag 16 oktober, krijgt De Werf het Giovanni Guidi Quintet over de vloer. In maart van dit jaar werd op het ECM-label het album ‘Avec le temps’ uitgebracht, een titel verwijzend naar het gelijknamige nummer dat in 1969 door de toen al 53-jarige Léo Ferré gecomponeerd werd, en dat als melancholisch onderwerp het verscheiden van de tijd heeft en het verlies dat dit met zich meebrengt. Naast Giovanni Guidi op piano vinden we Francesco Bearzatti op sax, Roberto Cecchetto op gitaar, Joe Rehmer op contrabas en Joao Lobo op drums. Naast de interpretatie van het titelnummer van Ferré hoort u op deze concertavond eigen werk van de 34-jarige Guidi zelf. In het nummer Tomasz wordt hommage gebracht aan de vorig jaar op 76-jarige leeftijd overleden Poolse trompettist Tomasz Stanko.

Tot slot is het ook uitkijken naar vrijdag 25 oktober. Dan komen niemand minder dan Dave Douglas (trompet) en Uri Caine (piano) in duo naar De Werf. Twee kleppers van formaat die ongetwijfeld in de kortste keren zullen zorgen voor een uitverkocht huis.(RUDI VANMARCKE)

http://www.kaap.be

 

 

Verleiding! Moord! en Liefde! in Mozarts Don Giovanni

(foto Evelien Van Rijn)

Zo vaak pakt het Concertgebouw niet uit met een grote opera, maar dit gemis wordt nu goedgemaakt met een dubbelslag op 18 en 19 oktober. Niet te missen deze Don Giovanni met een toporkest en top-uitvoerders.

 De story Don Giovanni is wijd en zijd bekend. Een gewiekste verleider die zijn verdiende loon krijgt, daar houden we van. In de handen van Mozart en librettist Lorenzo da Ponte werd het verhaal van deze don juan éen van de grootste opera’s in de muziekgeschiedenis. In Concertgebouw Brugge maken een droomcast en een legendarisch orkest zich op voor een concertante uitvoering (‘opera zonder poppenkast’) van dit spannende drama.

Wervelende muziek

Het Weense wonderkind gaat in deze opera met verve alle boekjes te buiten. Op hoogst geraffineerde wijze vermengt hij de ‘opera seria’-stijl van de hogere klasse met de komische ‘opera buffa’ die voor het gewone volk bedoeld was. Personages als Elvira, Anna en Ottavio krijgen lyrische muzikale passages toebedeeld, terwijl speelse melodieën de karakters van Zerlina, Leporello en Masetto verklanken. Het grote dansfeest op de bruiloft van Zerlina vormt een bijzonder staaltje van Mozarts muzikale vernuft. Heel ingenieus schrijft hij door de zang heen voor elk wat wils: een menuet voor de adel, een snelle dans waarop Don Giovanni nota bene de bruid zelf wil paaien en een volksdans waarop de bruidegom zijn dansbenen toont.

 

Een wijze moraal

Genieten van de liefde en het leven, zonder je te bekommeren om de stoet van gebroken harten die je achterlaat; het is even verdorven als aantrekkelijk. Maar de kruik gaat zo lang te water tot ze barst. Mozart en Da Ponte laten hun protagonist genadeloos ten onder gaan. Wie laatst lacht, best lacht, zo leren zowel Don Giovanni als het publiek.

Supersterren in spe

Elk muzikaal genre heeft zo zijn absolute vedetten, en deze uitvoering van Mozarts meesterwerk wordt gedragen door zo’n onbetwist dreamteam. Jonge, verrukkelijke stemmen als André Morsch, Paula Murrihy of Katharine Dain staan op de rand van hun wereldwijde doorbraak. Zo jong als de solisten zijn, zo ervaren is het orkest (‘Orkest van de Achttiende Eeuw’) dat hen begeleidt. (HP/LF)

vr 18 & za 19 oktober om 19.30 uur / Concertzaal Concertgebouw Brugge

Orkest van de Achttiende Eeuw / Mozart. Don Giovanni

Jongeren t.e.m. 26 jaar betalen slechts 7 euro voor hun ticket.

 

 

 

 

Harpiste Mathilde Wauters op drempel internationale carrière

(foto EDM)

‘Van thuis uit gepusht? Verre van…’

 

Seduced by harps, u kunt er zich veel bij voorstellen. De harp heeft inderdaad een romantisch imago, maar dat clichébeeld leeft niet in de harpwereld, zegt de Brugse muzikante Mathilde Wauters, die sinds haar vijfde de harp bespeelt. Voorbije zomer scoorde ze in de Verenigde Staten verrassend hoog met haar uitvoering van een bekend muziekstuk voor harp: het Concierto de Aranjuez. Een prestatie die telt. Wauters staat nu aan de start van een professionele carrière.

EXit: Heel wat musici, zoals uzelf, startten hun loopbaan op piepjonge leeftijd. Is dat een voorwaarde voor een latere carrière in de muziek?

Mathilde Wauters: ‘Mmm…. Is moeilijk te zeggen, maar het staat buten kijf dat het helpt. De mensen rondom mij zijn vrijwel allemaal vroeg gestart, pakweg tussen acht en tien jaar. Er zijn er natuurlijk ook die er ‘ver’ mee komen, hoewel ze pas op latere leeftijd een instrument kozen. Bij die vroege starters merk je wel vaak op dat ze uit een muzikale familie komen. Bij ons thuis was dat eender. Mijn ouders zijn allebei beroepsmuzikanten en lesgevers in het Brugse Conservatorium. Samen met mijn vier zussen, die elk een instrument bespelen, kunnen we sporadisch samenspelen.’

EXit: U bent op vijfjarige leeftijd begonnen met muziek. Is dat niet onverantwoord vroeg?

Mathilde: ‘Natuurlijk niet. In mijn geval is dat heel speels begonnen met oefenen op een kleine harp. Ik wou het echt leren en kunnen, maar les volgen was er nog niet bij. Het was evenmin een zaak van ‘moeten van thuis’, verre van zelfs. Mijn oudere zus, die ook harp speelt, was mijn mentor.’

‘Aan het Conservatorium heb ik de volledige opleiding doorlopen, zijnde negen jaar of de volledige cyclus. Ik bewaar daar goede herinneringen aan. Mijn leerkracht was Eline Groslot. Zo’n opleiding vergt veel van de kinderen, maar ik heb die met veel plezier gevolgd. Natuurlijk is discipline in deze nodig. Zonder dagelijks oefenen gaat het niet. Ik heb het gelukkig nooit ervaren als een opdracht en ik heb er zeker geen trauma aan overgehouden.’

EXit: Is een muziekopleiding compatibel met een zorgeloze jeugd?

Mathilde: ‘Voor mij gaan die twee zaken wel samen. Ook omwille van het feit dat ik van thuis uit niet gepusht werd. Ik heb een zorgeloze jeugd gehad en muziek is daarin altijd mijn grote passie geweest. Ik koos vanaf mijn zevende voluit voor de harp. De kleine modellen waren perfect bruikbaar voor mij. Ik volgde daarmee het voorbeeld van mijn oudere zus.’

EXit: Hoe is uw carrière tot op vandaag gelopen?

Mathilde: ‘Zo lang ik in Brugge bleef wonen, en school liep in het SASK (in Sint-Kruis), was muziek voor mij een hobby. Later mocht ik in Antwerpen aan het Conservatorium een soort jong-talent-traject volgen. Ik liep verder school in Brugge, maar de opleiding werd aangevuld met een muziekopleiding in Antwerpen. Ik volgde er het traject ‘Jong Talent’ . Ik heb toen beslist om professioneel verder te gaan met de harp. Ik ben toen ook in Antwerpen gebleven en heb er mijn master behaald (LF. Met de grootste onderscheiding)’.

 EXit: En op een dag bood zich een buitenkans aan: het Conservatoire National Supérieur du Musique in Parijs.

Mathilde: ‘Op een gegeven moment kreeg ik de kans aangeboden om een stage te volgen bij Isabelle Moretti aan het Parijse Conservatorium. Moretti is één van de bekendste harpisten ter wereld. Nadien heb ik gekozen voor een opleiding aan datzelfde Conservatorium. Om er te kunnen studeren, moest ik een loodzware test in twee fases overleven, iets waarin ik slaagde. Het Parijse Conservatorium is een van de belangrijkste in Europa. Frankrijk telt overigens maar twee conservatoria, het tweede is dat van Lyon. U begrijpt waarom ze beide overbevraagd zijn. Ik had natuurlijk veel zin om daar aan de slag te gaan en de opleiding te volgen. Die loopt tot eind dit schooljaar en dan sta ik terug op eigen benen. ‘

EXit: En u gaat dan meteen beroepshalve aan de slag?

Mathilde: ‘ Dat is toch de bedoeling, tenzij ik er eerst nog een opleiding tot leerkracht bij neem. Nodig? Toch wel, lesgeven is een ingebouwde veiligheid, want in deze (harp)sector struikel je niet over de werkaanbiedingen. Ik wil als freelancer aan de slag gaan, want er zijn toch heel wat mogelijkheden: zelf concerten organiseren, projecten voorstellen, audities doen of Kamermuziek. Het probleem bij een harpist(e)-carrière is voorts dat een groot orkest meestal maar één harpiste nodig heeft.’

EXit: Wat ik mij afvraag: harpisten moeten vaak opbotsen tegen een heel orkest. Is dat geen onbegonnen werk?

Mathilde: ‘’Dat is inderdaad één van de grote frustraties. Gelukkig valt de praktijk nogal mee. Maar als ik tijdens een concert helemaal achteraan op het podium zit, speel ik des te harder. Je kunt een harp meer volume geven, meer dan bijvoorbeeld een luit. Veel hangt ook af van de speelwijze, maar tegen een volledig orkest kun je niet op.’

EXit: U speelt geregeld en graag hedendaagse muziek. Een niet evidente keuze.

Mathilde: ‘Hedendaagse muziek spreekt mij aan. Vorig jaar nog speelde ik, samen met mijn zus Emma, in de Kamermuziekzaal een werk van Stockhausen. Niet evident, maar de reacties waren heel lovend. We hebben er toen zelfs bij gezongen, want de zangpartij is een deel van het stuk en moet door de harpistes zelf worden gezongen.’

‘Ik speel ook geregeld samen met het Hermes Ensemble, dat zich specialiseert in hedendaagse muziek. Ik vind dat het publiek de kans moet krijgen om ten minste kennis te maken met deze muziek. Na kennismaking reageren de luisteraars doorgaans heel enthousiast. Als die muziek goed ingekaderd wordt, spreekt dat het publiek aan. Het soort ‘hedendaags’ dat je brengt is natuurlijk ook van belang. Er is trouwens heel wat repertoire voor hedendaagse harp. Veel componisten die repertoire schreven voor de harp waren harpisten. Zij zijn niet altijd zo bekend voor niet-harpisten (zoals de grote en beroemde componisten), hoewel ze voor ons heel belangrijk waren.’

EXit: U was voorbije zomer knap derde in de USA International Harp Competition. Een hele prestatie, een hele eer.

Mathilde: ‘Het was voor de eerste keer dat een ‘Belg’ in de top drie geraakte, terwijl de jury toch uit internationaal bekende harpisten bestond.’

‘Het grote voordeel van zo’n concours is dat je in de aanloop naar de wedstrijd enorm veel moet ‘lezen’. Je leert ook een repertoire van buiten waarvan je in normale omstandigheden slechts enkele fragmenten speelt. Wij moesten dertien stukken inoefenen en zo’n opdracht vraagt om indeling en overzicht en brengt aardig wat stress mee. Ja, je kunt het, qua inspanning en niveau, een beetje vergelijken met topsport. In de finale speelde ik het Concerto van Rodrigo. ’

EXit: Waarmee hebt u de jury overtuigd?

Mathilde: ‘Het ‘prijsconcert’ was het Concierto de Aranjuez van Joaquim Rodrigo. Voor deze uitvoering kreeg ik een speciale prijs. Het stuk is oorspronkelijk geschreven voor gitaar, maar door de componist nadien bewerkt voor harp.’

‘Deze wedstrijd is één van de belangrijkste harpwedstrijden ter wereld, een beetje vergelijkbaar met de Elisabethwedstrijd bij ons. Alle werken moesten uit het geheugen worden gespeeld. Er namen 40 kandidaten deel, komende uit 18 verschillende landen.’ (LUC FOSSAERT)

Wie Mathilde Wauters (en het HERMESensemble) aan het werk wil horen: 18 oktober in het Amuz (Antwerpen). In het voorjaar 2020 staat ze geboekt voor een concert in Brugge, maar de precieze datum ligt nog niet vast.

Toneeltip

Blue Skies Forever, Buren
Donderdag 10 oktober, 20 uur (Biekorf Theaterzaal)

Het collectief ‘Buren’ werd in 2012 in het leven geroepen en bestaat uit Oshin Lambrecht, afkomstig uit Koksijde en Melissa Mabesoone, geboren in Knokke. Beide dames hebben een kunstopleiding achter de rug. Het feministische werk van dit veelzijdige kunstenaarsduo zit ergens op de grens tussen performance, theater en beeldende kunst. De twee resideerden eerder al in Vooruit en Vrijstaat O. Na een geslaagde doortocht tijdens Theater Aan Zee staan ze op 10 oktober in de Biekorf Theaterzaal met Blue Skies Forever. Daarin gaan ze aan de slag met heel uiteenlopende inspiratiebronnen: enerzijds videowerk van Pipilotti Rist dat volgens hen veel gelijkenissen vertoont met videoclips van Beyoncé, maar anderzijds ook Dorothy uit The Wizard of Oz. Ergens tussen fantasie en cliché tonen ze verschillende beeltenissen van die vrouwelijke archetypes uit de popcultuur, media en film. Muziek en sound zijn van buren, Benjamin Dousselaere & Ferre Marnef. (SD)

 

www.KAAP.be

Signs of Algorithm doen het met Luk Wyns in Skincrawler

 

Mennekes! Nieuws uit het kamp van de metalheads Signs of Algorithm: op zaterdag 12 oktober speelt de band-met-Brugse-roots ten dans in Het Entrepot tijdens het event ‘Music for the Oceans’. De leden Frederick, Didier, Kevin, Yochi en Jonathan zijn goed op dreef, want onlangs namen ze samen met acteur/scenarist Luk ‘Crimi Clown’ Wyns de niet onbesproken videoclip ‘Skincrawler’ op, check YouTube. Dat nummer spelen ze straks ook in Het Entrepot, maar dan wellicht zonder Luk en de schaars geklede dames…


EXit: First things first: we mogen jullie band situeren in het metalgenre?

Frederick Vanhille: ‘We zijn inderdaad te situeren binnen het metallandschap. Onze invloeden komen uit verschillende stromingen en subgenres binnen het metalgenre. We houden er eigenlijk niet heel erg van om onze band te labelen, maar als we echt een genre moeten benoemen, leunen we het dichtst aan bij metalcore en deathcore.’

EXit: Jullie namen met ‘Skincrawler’ een heuse videoclip op. Ik kan me voorstellen dat die gemengde reacties uitlokt…
Frederick
: ‘’Skincrawler’ is onze nieuwste release en dus ook een voorproefje van ons volgend album dat hopelijk in maart 2020 zal verschijnen. Het betreft een erotisch getinte clip over de fantasie van enkele mannen op het containerpark. Reacties hierop zijn subjectief en uiteraard uiteenlopend. Sommigen vinden de clip supervet, anderen vinden dat een clip meer om muziek moet draaien dan om borsten en billen. Dat kun je als band natuurlijk wel verwachten als je dit soort clip uitbrengt. Wij vonden het vooral leuk de clip te shooten en hebben ons enorm geamuseerd.’

EXit: Een opmerkelijke gast in deze clip is acteur/Gamma-stemmenman Luk Wyns. Hoe komen jullie bij hem terecht?
Frederick
: ‘Klopt. Wij zijn gaan aankloppen bij Diamond City Films om ‘Skincrawler’ te shooten. Dit is het productiehuis van Luk Wyns waar hij onder andere Crimi Clowns mee uitbracht. Tijdens de besprekingen en voorbereidingen van de clip hadden we nog enkele gastrollen in te vullen. Uiteindelijk hebben we gezamenlijk besloten dat het eigenlijk enorm tof zou zijn als de rollen ingevuld werden door Luk Wyns himself en zijn zoon Jonas Wyns.’

EXit: Wat staat er zoal op de to do-lijst van Signs of Algorithm?

Frederick: ‘Momenteel hebben we een druk schema aangezien er een hoop shows gepland staan tijdens de ‘Skincrawler Tour’ die nog loopt tot januari 2020. Tot op heden was het hoogtepunt van deze tour onze show op Metaldays 2019. Een topfestival in Slovenië waar we de affiche deelden met tal van topnamen uit de scene zoals Arch Enemy, Architects, Dimmu Borgir, While She Sleeps en vele anderen. Daarnaast was de algemene sfeer op het festival echt top. Volgend jaar krijgen we de kans om terug te keren naar Metaldays en er de mainstage te openen. Daar kijken we echt naar uit. Verder werken we achter de schermen en tussen shows door aan materiaal voor een nieuwe cd.’

‘We hebben ondertussen vijf Europese tours achter de rug waardoor we ondertussen al in een dertiental landen op het podium stonden.’

 EXit: Jullie spelen op zaterdag 12 oktober in Het Entrepot. Hoe ziet de avond van ‘Music for the Oceans’ eruit?

Frederick: ‘Dat wordt ongetwijfeld een topavond, want de organisator heeft zijn best gedaan om een gevarieerde internationale line-up neer te zetten in Het Entrepot. Zo hebben we bands uit Nederland (Another Now), België (Speed Queen, Signs Of Algorithm, Hell City, Fields Of Troy) en Frankrijk (Novelists). Een leuke en gevarieerde line-up als je het mij vraagt. Nu nog een hoop volk en het dak vliegt er gegarandeerd af.’

 EXit: Tot slot: wat prijkt er die avond op de setlist?

Frederick: ‘We brengen die avond een gevarieerde setlist waarin we zowel nieuw en oud materiaal aan bod laten komen. De show is ook een ode aan de overleden vader van de organisator waardoor de mogelijkheid bestaat dat we iets toevoegen aan de setlist dat we slechts één keer live zullen brengen die avond in Het Entrepot.’ (ADC)

 

http://www.facebook.com/SignsOfAlgorithm

 

Reba Malin: ‘Een mix van stijlen’

(foto EDM)

 

Reba Malin: onthoud die naam en pik eens een concertje mee als deze (redelijk) versbakken groep rond zangeres Floor Vanden Bussche in de evenementenkalender voorkomt. Op vrijdag 11 oktober bijvoorbeeld, want dan treden ‘Flo en de boys’ op in het mooie zaaltje van de Snuffel in de Ezelstraat.

Reba Malin was tot voor kort de band van zangeres/gitariste Floor Vanden Bussche en drummer Dirk Defauw, maar sinds enkele maanden zijn de rangen versterkt met bassist Stefan Taveirne (die we ook kennen van Cosy Corner) en gitarist Matthias Rosseel (vroeger ook actief in The Mood of Steffi en de folkgroep Donder in ’t hooi). ‘We zijn gestart met twee, maar het is altijd de bedoeling geweest om er een full band van te maken’, zegt Dirk. ‘Klopt’, vult Floor aan. ‘We hadden ook nood aan een ruimere bezetting. We speelden vroeger al eens op plaatsen waar het podium te groot was voor ons twee. De nummers van Reba Malin zijn immers niet alleen geschreven om in een akoestische versie gebracht te worden.’

EXit: Hoe zou je je groep verkopen?

Floor Vanden Bussche: ‘Moeilijke vraag, hoor. Op onze muziek kun je niet meteen een stempel kleven. Misschien iets in de trant van ‘rock meets souls meets…’.’

Stefan Taveirne: ‘…jazz meets een beetje blues en indierock… Ik was overtuigd na de eerste repetitie en ben blijven plakken. Het klonk te goed om deze groep zomaar te laten liggen.’

Matthias Rosseel: ‘Met onze set kunnen we op Gent Jazz spelen, maar evengoed ook op Rock Werchter. Het is een mix van stijlen. Het zijn eigen nummers, maar we hebben geen hokje ter beschikking om ze in te steken. We hebben onze sound ook nooit op voorhand bepaald. We spelen gewoon en we zien wel waar een bepaald nummer strandt.’

EXit: Geldt de songtekst als bepalende factor?

Floor: ‘Het is vooral de sfeer die belangrijk is. Muziek is voor mij meer dan alleen maar woorden, alhoewel ik veel tijd spendeer aan het schrijven van mijn teksten. Samen zoeken we altijd naar de juiste sfeer van de song.’

EXit: Waarover gaan jouw liedjes?

Floor: ‘Ik heb een hekel aan platte teksten als ik naar muziek luister, dus ik leg de lat voor mezelf graag hoog. De inhoud? Over de alledaagse dingen des levens, de strubbelingen van het leven. Mijn teksten vertrekken bijna allemaal vanuit een biografisch standpunt, maar gaandeweg ontwikkelen ze zich naar een song die voor velen herkenbaar is.’

Matthias: ‘Ik luister niet meteen naar de tekst, mijn gehoor spitst zich eerst toe op de melodie. De structuur van het nummer moet eerst goed zitten. We beginnen met een kapstok en hangen er achteraf de jassen aan.’

Stefan: ‘We hebben zelden een nummer klaar tijdens een repetitie. De ruwbouw is misschien af, maar week na week sleutelen we eraan tot het goed zit. Floor heeft een unieke stem en daar willen we geen muur van lawaai rond breien. We spelen in functie van het geheel.’

Matthias: ‘Als je een nummer de hele avond in het repetitiekot hebt gespeeld, kun je daar niet objectief naar luisteren. Moet je even laten rusten.’

 EXit: Reba Malin: die naam moet je toch eens verklaren, Floor.

Floor: ‘Ik wou niet optreden onder mijn eigen naam, want Vanden Bussche vind ik totaal niet geschikt als groepsnaam. Ik heb een tijdje in Canada gewoond en daar konden ze mijn naam ‘floor’ niet uitspreken zonder in lachen uit te barsten. Ik wilde niet dat ze met mij de ‘vloer’ aanveegden, dus heb ik daar dan maar Flo gebruikt. Dat was simpeler. Voor de bandnaam schuif ik mijn eigen naam wel aan de kant en heb ik twee andere delen samengevoegd. Malin is een veel voorkomende Zweedse meisjesnaam en Reba is geïnspireerd op de Amerikaanse zangeres Reba Neil McEntire die al sinds eind de jaren 70 bekendstaat als The Queen of Country Music. Klinkt toch goed, hé?’

EXit: Je straalt ambitie uit met Reba Malin, Floor!

Floor: ‘Na ons optreden in de Snuffel, is het de bedoeling om enkele nummers in de studio in te blikken zodat we een mooi visitekaartje in handen hebben. Je hebt gelijk als je zegt dat we ambitieus willen zijn, want ik wil graag investeren in mijn band. Graag pikken we volgend jaar mooie concerten op mooie locaties mee. Ook festivals schuwen we niet.’

Stefan: ‘Zonder pretentieus te willen zijn: we zijn niet van plan om het coverbandcircuit af te lopen. We zijn immers géén coverband. We willen wel zoveel en zo ver mogelijk gaan spelen. Met ‘eigen’ muziek moet je andere plaatsen zoeken om te spelen. Dat is onze ambitie met Reba Malin.’ (ADC)

http://www.snuffel.one

 

%d bloggers liken dit: