Exit Magazine

Maandelijks Brugs Cultuurblad

Maandelijks archief: juli 2022

Cactusfestival op kruissnelheid voor een daverende driedaagse in het Minnewaterpark

Ongetwijfeld staan de data van vrijdag 8, zaterdag 9 juli en zondag 10 juli al maandenlang aangestipt in de agenda van menig muziekliefhebber. Dan vindt namelijk – na twee uitgestelde edities – de 39ste editie van het Cactusfestival plaats in het nog altijd feeërieke Minnewaterpark. Onder meer Robert Plant & Alison Kraus, Belle and Sebastian, Ben Harper, Franz Ferdinand, Richard Hawley en Balthazar kruiden de affiche, naast nog meer fraaie toppers. Organisator Patrick Keersebilck oogt tevreden over (de voorbereiding van) zijn festival, al bezorgt de bouw van het nieuwe muziekcentrum op het Kanaaleiland (op enkele meters van het park) hem wel een pak kopzorgen en slapeloze nachten.

EXit: We zijn op een zucht van (eindelijk!) een nieuwe editie van het Cactusfestival. Hoe verliep de voorbereiding?

Patrick Keersebilck: ‘We zitten perfect op schema en onze voorverkoop zit op een maand voor het festival een stuk beter dan voorgaande jaren. Toch blijft die laatste maand cruciaal qua verkoop, want Cactus heeft van oudsher voor een stuk een publiek van late ticketkopers. Het blijft dus traditiegetrouw opnieuw spannend tot aan de eindmeet. Die spanning is er altijd, maar nu toch wat meer dan in voorgaande jaren. We stellen immers vast dat er dit jaar ontzettend veel nieuwe muziekfestivals zijn bijgekomen. In de directe regio kwam Live is Live in Zeebrugge (drie weken voor ons) erbij. Herman Schueremans en andere promotoren lanceren deze zomer ook een aantal  nieuwe festivals … . Daarnaast blijven een aantal zalen (AB, Roma, …) ook in de zomer concerten programmeren, voornamelijk uitgestelde concerten.’

EXit: Is de evenementensector zichzelf niet aan het opblazen?

Keersebilck: ‘Naar mijn gevoel is het deze zomer zeker te veel van het goede. Ik hoop dat ik me vergis, maar ik denk dat er misschien wel slachtoffers zullen vallen. Met slachtoffers bedoel ik organisatoren die zich zullen hebben misrekend.’

EXit: Die uitgestelde knaldrang botst dan toch op zijn limieten?

Keersebilck: ‘Die knaldrang wordt naar mijn gevoel toch wat overschat. Ook was er in de sector het idee dat na twee Covid-jaren, waarin weinig te beleven viel qua evenementen, mensen bereid zouden zijn om meer budget hieraan te besteden. Ondertussen worden mensen echter, onder andere door de oorlog in Oekraïne, geconfronteerd met aanzwellende inflatie en prijsstijgingen allerhande … . We voelen wel dat mensen in zekere zin snakken naar die aankomende festivalzomer, maar het aanbod is dit jaar enorm terwijl het budget dat mensen hieraan willen/kunnen besteden toch beperkt blijft en het meer dan andere jaren wellicht een kwestie van keuzes maken wordt.’

EXit: De samenstelling van de affiche: een gemakkelijke of een moeilijke puzzel om te leggen na die twee moeilijke coronajaren?

Keersebilck: ‘Het is altijd een serieuze uitdaging om die puzzel te leggen. Mensen denken vaak dat dit voor ons – met dertig jaar ervaring op de teller en onze internationale contacten  – een fluitje van een cent is, maar niets is minder waar. Europa is in de zomer een echt festivalcontinent met in de meeste landen verschillende events die mikken op een internationale programmering. Interessante groepen hebben als het ware festivals voor het uitkiezen aangezien de vraag veel groter is dan het aanbod.’

‘Daarenboven zit je met de vaststelling dat de grote spelers hier in België zoals Werchter en Pukkelpop meestal groepen in exclusiviteit willen neerzetten, wat ervoor zorgt dat heel wat acts die we potentieel interessant vinden voor Cactus, en die daar ook op hun plaats zouden staan, hierdoor niet beschikbaar zijn.’

‘Tenslotte is Cactusfestival een event dat artistieke kwaliteit hoog in het vaandel draagt – ook vanuit onze erkenning als muziekcentrum door de Vlaamse overheid. Daarnaast is er echter de financiële realiteit waarbij het festival niet alleen financieel volledig self-supported moet zijn, maar waarbij er ook een batig saldo moet gerealiseerd worden om de rest van de werking te financieren. Rekening houdend met die factoren blijft de programmering dus jaar na jaar een serieuze uitdaging.’

EXit: Welke groepen zijn de publiektrekkers van het festival?

Keersebilck: ‘De vrijdag zal vooral in het teken staan van Robert Plant & Alison Krauss. De andere dagen dragen de sterkte uit door de totaliteit van het programma. Daar hebben we dit jaar opnieuw straf op ingezet. Met artistiek interessante groepen die stuk voor stuk hun eigen publiek hebben, maar die ook voor anderen een ontdekking zullen zijn.’

EXit: Mogen we voor de afterparty al naar jullie nieuwe zaal op het Kanaaleiland trekken?

Keersebilck: ‘Net voor het bouwverlof wordt ons nieuw gebouw opgeleverd, al zal het voor de afterparty dit jaar nog te vroeg zijn. Het muziekcentrum is grotendeels klaar, maar er zal nog wel wat werk kruipen in de eindafwerking ervan. We mikken nog steeds op de tweede helft van oktober voor de opening, ook al zijn er momenteel nog wat onzekerheden over de leveringstermijn van bepaald materiaal zoals de  geluids-en lichtinstallatie. Ook in die wereld heersen er daar heel veel problemen momenteel. Voorts moet na de afwerking van het gebouw ook nog de omgevingsaanleg gerealiseerd worden, iets waarover we nog in gesprek zijn met het stadsbestuur.’

EXit: Het zijn uiterst moeilijke tijden ‘in de bouw’. Wellicht geldt dit ook voor jullie?

Keersebilck: ‘Klopt, het zijn harde tijden. Bij de start van de bouw van het nieuwe muziekcentrum was ons financieel plaatje sluitend, maar anno 2022 kijken wij ondertussen aan tegen een serieuze meerkost.

Het niveau van de prijsstijgingen in de bouw in het laatste half jaar is ongezien. Zo kregen we bijvoorbeeld in mei af te rekenen met een prijsherziening van meer dan 29 procent, dus bijna één derde meer.

Hierdoor staan we in de laatste rechte lijn uiteindelijk nog voor een serieuze uitdaging qua financiering.’

‘De bouwwereld is daarenboven een machine met een heel eigen dynamiek, die je moeilijk kunt stilleggen eenmaal die concreet in gang is gezet. Bestellingen werden geplaatst, onderaannemers geëngageerd, er duiken niet te voorziene problemen op die meteen een antwoord vragen … bij momenten erg hectisch allemaal.’

EXit: Je droomt ’s nachts van aannemers?

Keersebilck: ‘Van aannemers niet meteen, wel van de vele mogelijkheden die het gebouw zal bieden en de meerwaarde die dit kan betekenen voor Brugge als muziekstad.’

EXit: Coronavirus, needle spiking, apenpokken … Ze maken het jullie als organisatoren verdomd niet gemakkelijk …

Keersebilck: ‘Ik heb al een aantal telefoons van journalisten gekregen met de vraag wat we op het festival zullen doen tegen needle spiking. (Zucht), wat bij mij spontaan nog maar eens de bedenking opriep dat een deel van de pers toch wel toe is aan serieuze introspectie als het gaat over zaken in hun juiste proportie aan de orde te stellen. De drang naar primeurs, uitzonderlijke verhalen, exclusiviteiten en dergelijke meer is in die wereld op vandaag blijkbaar soms dermate groot, dat het de werkelijkheid geweld aandoet. Een jammerlijke evolutie.’

EXit: Naar welke groepen kijk je zelf uit op je festival, Patrick?

Keersebilck: ‘Robert Plant & Alison Kraus, Oh Wonder, Franz Ferdinand, Arab Strap – mijn favoriete Schotse band  – en Richard Hawley om er maar enkele te noemen. Zijn eerste optreden op ons festival, maar we hebben ooit het eerste Belgische concert van Hawley in de Stadsschouwburg georganiseerd. Het wordt de eerste keer op ons festival van deze moderne crooner, die soms toch ook wel stevig kan uithalen. Niet te missen!’

EXit: Volgend jaar zijn we toe aan de veertigste editie van het Cactusfestival. Dat wordt iets speciaals?

Keersebilck: ‘De intentie is er om iets speciaals te doen, maar zoals ik al aangaf, heb je de programmering niet altijd zelf in handen. We zullen zien. Een ding is zeker: de nieuwe zaal voor de afterparty staat er in ieder geval al.’ (ADC & LF)

_____

www.cactusfestival.be

Patrick Keersebilck

Julie Beirens: poëzie als blijver

Je bent jong, woont in Sint-Jozef, je studeert, je worstelt met psychische troubles allerhande, en vindt uiteindelijk troost in de poëzie. Een zoektocht naar een uitgever raadt iedereen af wegens frustrerend  en onbeantwoord. Je debuteert in enkele literaire tijdschrijften en wordt dan toch opgepikt door uitgeverij Pelckmans. Vandaag kijkt dichteres Julie Beirens fier naar haar eersteling. De titel ‘Huiden’ verklapt weinig, de gedichten des te meer.

EXit: Hoe bent u in de wereld van de poëzie beland?

Julie Beirens: ‘In het vierde leerjaar moesten we een gedicht schrijven over de vier seizoenen. Met het puntje van mijn tong tussen mijn tanden schreef ik een gedicht. De juf was onder de indruk en ik mocht het als enige voorlezen. Toen wist ik dat ik dit wou doen.’

‘Als kind ging ik ieder jaar mee naar de Boekenbeurs met mijn ouders. Als ik de auteurs zag signeren werd de wens om te schrijven alsmaar groter. Ook toen wijlen Dirk Bracke kwam spreken in het zesde leerjaar, en hij vroeg wie later schrijver wou worden, was ik dat ene kind dat de vinger in de lucht stak. Schrijven, dat was wat ik wou doen.’

‘In de puberteit zakte mijn schrijverswens wat. Schrijven was tenslotte niet cool en ik was een tiener die bijna obsessief populair wilde zijn. Pas na de puberteit begon ik weer te schrijven.’ 

‘Op mijn achttiende werd ik opgepikt door Jeugd en Poëzie, die mij met zoveel toewijding begeleidde in het schrijversschap. Ik won her en der een wedstrijd, en was vertrokken.’

EXit: Hoe verliep de zoektocht naar een uitgever?

Julie: ‘Ietwat onzeker. Bijna van ‘je weet maar nooit’. En eigenlijk was het van ‘je weet maar nooit’. West-Vlaamse bescheidenheid?’

EXit: Wat is de betekenis van de titel ‘Huiden’?

Julie: ‘De titel ‘Huiden’ gaat op zoek naar de betekenis van dat wat ons lijf ontsluit. Begrijp het als een soort continuïteit van onze menselijke huid. Er is altijd huid. Onze huid is het huis waarin we wonen. Dat we verfraaien. Dat we laten zien.’ (LF)

_____

‘Huiden’, Julie Beirens, gedichten, uitg. Pelckmans

Essay door Dalilla Hermans

BRUGGE 2002: IMPACT EN IMPULSEN

In de zomer van 2020 ging ik op een maandagavond tussen de eerste en de tweede lockdown wijntjes drinken met een vriend op een terras. Dat zou niet zo bijzonder zijn, ware het niet dat het de allereerste terrasavond in mijn nieuwe stad was. Enkele dagen voordien trokken man, kinderen en ik ons nieuwe huis in Sint-Kruis in. De vriend in kwestie is een Nederlander die naar Antwerpen verhuisde, dus het was aan mij om een locatie te bedenken. De horeca draaide nog niet terug op volle toeren, van Google werd ik niet veel wijzer. We streken neer op het zonovergoten terras van de lokale tennisclub. De vriend in kwestie heeft een bekende kop, en al snel spraken een aantal leden ons aan. Wat volgde was een memorabel gezellige avond, waarin ik meer leerde over de Brugse volksaard dan in alle jaren dat ik hier voordien als bezoeker kwam. Ik leerde de Bruggeling die avond kennen als minzaam en hartelijk eens het ijs gebroken. Maar ook als erg bescheiden en zelfkritisch.

Daar stonden wij van versteld. Als je woont in een stad zo mooi als Die Scone, lijkt lyrische liefde voor haar pracht en praal niet ongepast. Het is me bijgebleven, dat moment naast het tennisveld, waarin ik voor het eerst een echte inkijk kreeg in de kleine kantjes van deze prachtige stad.

Toen ik werd gevraagd om drie wensen te formuleren voor het Brugge van de toekomst, die de basis vormden voor het debat dat op 22 februari jongstleden plaatsvond, liet ik me inspireren door de gesprekken van die bewuste avond. Als relatief nieuwe inwoner die heel bewust Antwerpen verruilde voor het Brugse ommeland, zit ik immers nog in de wittebroods-fase. De liefde is diep en hecht en ik blijf geneigd met roze bril doorheen de straten te dartelen. Hoewel ik de afgelopen jaren als columnist leerde mijn pen als zwaard te gebruiken, bleek het een uitdaging met de nodige scherpte te schrijven over een plaats die me nu al zo dierbaar is. Maar zoals één van de voorgangers van mijn terrasvriend, Mark Uytterhoeven, eind jaren 90 al wist: alles kan beter.

Geïnspireerd door de besognes van alledaagse Bruggelingen formuleerde ik drie (culturele) toekomstdromen. Wannes Loosveldt, Nina Everaert, Patrick Moenaert, Dominique Savelkoul en Erik Van Hove gingen erover in gesprek, onder deskundige leiding van Mieke Dumont. In een ideale wereld had ik met notitieblok in het publiek gezeten om hun bevindingen te noteren, maar covid had me nét die week eindelijk te pakken. Ik stuurde dus videoboodschappen en kreeg de bevindingen van het panel in digitale vorm, via gesprekken en mails.

De wensen zelf waren simpel:

  1. Ik droom van een levendig Brugge dat nooit meer gezien wordt als een ingeslapen toeristenstad. Een Brugge dat innovatief is, als een bakermat voor vernieuwende kunst en cultuur.
  2. Ik droom van een Brugge waar toerist en inwoner bondgenoten worden die niet langer in strijd zijn met elkaar over de invulling van de openbare ruimte. Een Brugge waar de internationale gast aanschuift aan de authentieke Brugse tafel, en waar de Bruggeling zich weer eigenaar voelt van de toeristische trekpleisters.
  3. Ik droom van een Brugge waar de diversiteit van de demografie overal vertegenwoordigd en alom present is. Waar we ook in het culturele leven een veelheid aan profielen vinden, en minderheden de agenda mee bepalen.

De antwoorden waren zoals gehoopt veel meer gelaagd. Hoewel er telkens een consensus werd gevonden, bleek elke panellist toch een zeer eigen kijk te hebben op hoe én of deze wensen ingevuld kunnen worden. Er klonken veel positieve geluiden over wat er sinds 2002 al verwezenlijkt is. Brugge leeft heus wel, stelden de sprekers eensgezind. Er zijn constant nieuwe initiatieven die het levenslicht zien, de ene pop-up na de andere euh ‘popt up’.

Creatieplekken voor jonge makers

De vele plaatsen waar talent getoond kan worden zijn degelijk en gedragen. Je hebt het Concertgebouw, de Stadsschouwburg, de Magdalenazaal, Het Entrepot en ongetwijfeld heel wat presentatieplaatsen die we nu even vergeten. Maar, zo stelden vooral de jongere panelgasten: er is nog weinig ruimte om ook zelf te creëren. Uiteraard gebeurt zoiets vaak in de onderbuik van een stad. De beste plannen worden gesmeed in zolderkamers en keldertjes, op pleintjes en aan de toog. Maar wanneer een stedelijke overheid pro-actief investeert in plaatsen waar kunst, cultuur en ontmoeting kunnen ontstaan, levert dat vaak vernieuwing op. In Brugge heb je nu al enkele initiatieven zoals De Tank en De Republiek waar jonge makers kunnen neerstrijken, maar er is potentieel om daar nog meer op in te zetten. De nieuwe museumsite BRUSK zou een prachtige plek kunnen worden waar, naast gevestigde (internationale) waarden, ook jong Brugs geweld haar plaatsje zou kunnen vinden. Dat vraagt echter visie, durf en investering signaleert het panel duidelijk aan de stad en bij uitbreiding aan de Vlaamse overheid. En, zo vul ik zelf even aan, het vergt ook flexibiliteit en goesting om de geijkte paden te verlaten.

Wanneer het gesprek inzoomt op het vraagstuk over openbare ruimte, blijkt al snel datzelfde gevoel van hoop en potentieel dat nog niet ten volle aangeboord is. Het Brugse patrimonium van gebouwen blijft vaak leegstaan, of ondergebruikt. Waarom smijten we deuren niet vaker open naar een breed publiek? Wat bijvoorbeeld met de site Oud Sint-Jan, het Begijnhof, de oude stelplaats van De Lijn, de militaire basis in Sint Kruis of de kasteeldomeinen in Sint-Andries? Daar is nog heel veel mogelijk, maar het her-invullen van die ruimtes vraagt om durvers. De oproep voor een nieuw kunstenoverleg dat zich buigt over die invullingen met de nodige ambitie en rebelse houding gonst door de zaal. 

De sleutels afgeven

Aan het einde van het panelgesprek verlegt het panel de blik naar één van mijn eigen stokpaardjes, en misschien wel naar het enige punt van kritiek dat ik van nature, ook zonder tennisclub-bijdragers, zou kunnen geven. Hoe zit het met de vertegenwoordiging van de superdiverse maatschappij in Brugge? De sprekers kijken snel in eigen boezem, en ook naar de zaal. Op de stoelen vinden we zoals vanouds voornamelijk middenklasse, witte, en vaak hoogopgeleide Bruggelingen. De droom die al in 2002 leefde om de veelkleurigheid van deze historische havenstad te vertalen naar de culturele scène blijkt nog ver van verwezenlijkt. Bomboclat, het festival op het strand van Zeebrugge waarvan ik trotse meter ben, blijft één van de weinige evenementen, ondanks het brede aanbod, waar Bruggelingen met migratieroots echt een soort eigenaarschap over voelen. Het is niet door een ingebakken geslotenheid, maar eerder door onwetendheid en onbewuste drempels dat het culturele aanbod, wel degelijk superdivers ingevuld, nog zelden mensen aanspreekt die niet tot de ‘usual suspects’ behoren. Zoals ik eerder in een onafhankelijk lokaal magazine schreef: het blijft zaak de sleutels van de (culturele) huizen af te geven.

Een nieuw model van samenleven

Mijn conclusie en verjaardagswens voor Brugge, twintig jaar na het jaar waarin onze stad Europese Culturele Hoofdstad was, is dan ook dat we al wat onderhuids borrelt aan de oppervlakte moeten brengen. Ik wens Brugge vooral een gezonde dosis trots, ambitie en zelfs chauvinisme toe. Als Kempenaar ben ik ook opgevoed met het mantra ‘doe maar gewoon, dan doe je zot genoeg’, maar als je in een stad leeft die adembenemend mooi is, waar de hele wereld rondloopt, en waar ondernemerschap hoogtij viert mag je dat heus wat serieuzer nemen. Dan mag je de lat voor jezelf best hoog leggen. Dan is het aan de tegendraadse denkers, schenenschoppers en aan een coalitie van nieuwe en gevestigde Bruggelingen om het verhaal van de stad te herschetsen. 

Op de dag dat ik dit essay schrijf had ik toevallig, bijna twee jaar na onze tennisclub-date een nieuw gesprek met Jan Jaap van der Wal. Hij had het over zijn verliefdheid op Vlaanderen, en zijn blijvende verbazing over de doorgedreven bescheidenheid en ons talent voor teleurstelling. En het voelde even alsof hij een Antwerpse Kempenaar was die in Brugge neerstreek. Ik hoorde mezelf. Ik hoorde Brugge.

Deze stad was eeuwenlang de poort naar Europa. Voor mij heeft ze nu potentieel de poort naar een nieuw model van cultureel samenleven in de nabije toekomst. Ik blijf met roze bril door Brugge dartelen, gesterkt door de kritische noten die het roze dieper, meer betekenisvol maken.

Dalilla Hermans, Brugge – mei 2022

Dalilla Hermans schreef dit essay naar aanleiding van het paneldebat dat De Republiek, Avansa regio Brugge en Concertgebouw Brugge op 22 februari organiseerden in het kader van de twintigste verjaardag van Brugge 2002, Culturele Hoofdstad van Europa.

Foto EDM
%d bloggers liken dit: