Exit Magazine

Maandelijks Brugs Cultuurblad

Fernand Traen: de Brugse schepen die geen burgemeester werd

 scan Fernand Traen

Fernand Traen, de rijzige man (°Brugge, 1930) die twaalf jaar schepen van cultuur (1965-1977) was en eerste schepen van de toeristenstad Brugge en van 1975 tot 2001 voorzitter van de Brugse haven (Zeebrugge) was, schreef zijn soms pikante en onthullende memoires.

Misschien verschijnt dit boek wat te laat om in Brugge en omstreken nog voor meer ophef te zorgen, want de meeste politici, kunstenaars en hoge ambtenaren of andere notabelen zijn al overleden of bijna ondergedompeld in het recente verleden. Maar zijn boek bewijst wel dat deze politicus in elk geval een persoonlijke hoogstaande visie had op de cultuur en op het havenbeleid van zijn geliefde stad die zich sinds de fusie van 1971 uitstrekt van Lissewege en de Noordzeekust tot aan Oostkamp aan de snelweg Brussel-Oostende. Brugge was voor Traen zelfs een droomstad.

Stichter van Raaklijn

Traen omschrijft zichzelf aan het eind van zijn memoires als een Bruggeling met een historisch bewustzijn en dat is deze advocaat en politicus zeker tot op heden gebleven. Maar hij was ook de stichter of medestichter (samen met onder meer Paul de Wispelaere, Jan van der Hoeven en Jaak Fontier) van de legendarische modernistische culturele vereniging Raaklijn die tijdens de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw bijzonder veel uitstraling en activiteiten kende. Zo schrijft Traen niet zonder trots: ‘Raaklijn was uniek in het Vlaamse land en Brussel. Jonge mannen van dezelfde generatie die zich verenigden om moderne kunst te propageren en in eenzelfde, zij het bijzondere stad Brugge. Natuurlijk waren er interessante mensen en initiatieven in andere steden (de G58 in Antwerpen en later een groep actief geïnteresseerden in Gent met Karel Geirlandt als voorman.’ En niet zonder een lichte overdrijving: ‘Het eerste literair initiatief van Raaklijn was de voordracht van Adriaan de Roover over Paul van Ostayen, avonturier van het woord. In de geboortestad van Gezelle: een trompetstoot.’

Toch was deze bekwame beleidsman allicht altijd al wat te discreet en kreeg hij niet altijd voldoende steun in de stad en in zijn eigen partij die ook toen meer aandacht schonk aan figuren die het vertrouwen genoten van het sterke ACW zoals onder meer Gerard Eneman en Daniël Coens, de vader van Joachim Coens die Traen later mocht opvolgen aan het hoofd van de haven en ten slotte aan Patrick Moenaert. Binnen de standenpartij die de CVP toen nog meer dan nu was met ook de Boerenbond en de stadse middenstanders was de christelijke vakbond altijd al de sterkste vleugel. En dit heeft de onafhankelijke, maar betrouwbare en bekwame Fernand Traen zeker niet geholpen in zijn opgang in het later ontstane Groot-Brugge. Moest hij niet kiezen voor Pierre Vandamme of voor Michel van Maele (die wel de stadsreien of de stadsgrachten heeft gesaneerd)? Moest hij niet kiezen tussen de rigide ambtenaar Ghyssaert en de bevlogen dichteres Christine D’haen? Tussen de VLD en de CVP, zoals de historicus Andries van den Abeele deed? Tussen zijn toekomst als politicus van de oude stempel en als moderne manager van de containerhaven Zeebrugge die in zijn tijd nog in volle expansie was? Hoe dan ook, deze katholiek zou zeker een goed en bekwaam burgemeester zijn geworden indien hij de nodige steun van zijn eigen partij had genoten.

Brugge 2002

Toch komt zijn scherpe geest in deze niet altijd minzame memoires soms nog hoog naar boven, zoals in zijn uitspraak over Brugge Culturele Hoofdstad: ‘In 2002 werd Brugge culturele hoofdstad van Brugge. Wat onze stad toen gepresteerd heeft, was een grote ontgoocheling. Ik had een nota voor het schepencollege gemaakt, maar ik denk dat noch de leden van dit college noch de intendant (een theaterdirecteur van opleiding en ervaring) zich feitelijk rekenschap gaven van wat Brugge vandaag en in het verleden had betekend. Over moderne schilderkunst werd in een verloren zaal ergens in de stad een tentoonstelling geprobeerd. Over de drie Triënnales voor Plastische Kunst in België werd met geen woord gerept. Dat Panamarenko in 1968 al prominent aanwezig was, leek de verantwoordelijke intendant onbekend. Ik vermoed zelfs dat hij wat wantrouwig stond tegenover wat niet beantwoordde aan zijn clichébeeld van Brugge.

Ook over Achiel van Acker, die zèlf ook nooit burgemeester mocht worden (zijn zoon Frank van Acker dan weer wel) van de stad Brugge schrijft Traen: ‘In Brugge was Achiel van Acker een buitengewoon populaire figuur. Ik kan dit niet volledig verklaren. De werkman beschouwde hem als diegene die welvaart en maatschappelijke zorgen in de stad had gebracht, die heel lang door een conservatieve groep bestuurd werd. Dit beeld moet natuurlijk meer genuanceerd worden maar Van Acker bleef toch een symbool van de socialistische opmars in Vlaanderen. Hij was een intrigerend persoonlijkheid, een echte selfmade man, socialistisch politieker, boekhandelaar en uitgever van De Garve.

Hendrik Carette

Info: Brugse memoires, van Fernand Traen, Brugge: Uitgeverij Van de Wiele, 2015, 215 blz., 24,50 euro, ISBN 978 90 7629 756 9.

 

 

 

Comments are closed.

%d bloggers liken dit: