Exit Magazine

Maandelijks Brugs Cultuurblad

Lara T6

Foto Stijn Vos

 

 

BRUGGE, 1 JANUARI 2015

DE NIEUWJAARSBRIEF VAN SCHRIJFSTER LARA TAVEIRNE

* Brugge, dat was het smurfendorp dat ik zou ontvluchten, om er nooit meer naar terug te keren, of het moest voor de koekjestaart van mijn moeder zijn, omdat die naar vroeger smaakte, naar dat kleine verjaardagsgeluk dat elk jaar moeilijker oproepbaar werd.
 Brugge was niet lawaaierig en chaotisch genoeg voor iemand met lawaaierige en chaotische verlangens. En wat was het er klein, het ei, waar je met een paar keer trappen alweer doorheen was. Langestraat, haha!

* In Brugge is het van ons kent ons. Als je door het rood was gereden of een pak sigaretten had gekocht, dan wist de hele familie dat de volgende dag. Rood licht was minder erg dan sigaretten, zo bleek. Brugge was niet groot genoeg voor iemand die van geheimen hield. Als ik had gekust met iemand die officieel niet bij mij hoorde, dan had heel Brugge dat gezien. Oh ja, de cafés mochten dan dichtgaan om elf uur, de ogen bleven open.

* Daar zou ik van weglopen. Weg van die pietluttige Madonna van Michelangelo, die inderdaad mooi was, maar vooral klein. Ik wilde groot en veel en snel en druk.
 In Gent ging ik wonen. Ik was er gelukkiger dan ooit, maar ook triestiger dan ooit. Misschien was de stad waarin je woonde niet allesbepalend voor geluk of verdriet. Misschien zat het eerder in je genen dan in de stad op je identiteitskaart.

* Met een klein hartje keerde ik terug naar Brugge, het kleine, kleine Brugge. Nog elke week moet ik het aan iemand verantwoorden. Ben je dat niet ontgroeid?, vragen ze, wat impliceert dat ik zou zijn blijven groeien. Ik vrees dat het niet zo is gegaan, dat het groeien op een bepaald moment gewoon gestopt is.

* Ik woon buiten de stadsrand. Brugge is de stad waar ik elke dag doorheen fiets. De onveranderde etalages van haar kantwinkels, de levende en dode standbeelden, de meeuwen en zieke duiven bij het frietkot, de beschermde monumenten en de jammerlijk onbeschermde monumenten, zoals de dode reien, waar een zwaan af en toe een baantje trekt naar de overkant.

* De bevroren reien, daar ligt mijn oudste herinnering aan de stad. We mochten voor de eerste keer zonder handje rondlopen. Op het ijs konden we niet doodgereden worden. Schuifelend over het ijs voelde het alsof je een geheime stad ontdekt had. Jaren later en zoveel graden warmer heb ik gezwommen in het water, dat toen onder dat ijs liep. Iemand sprong vanaf de brug achter me aan. Een paar maanden later zat ik aan de oever, triest, met een boek van Peter Verhelst op schoot, hopend dat die enige waardige Stadsgenoot toch eens voorbij zou wandelen en me met de goeie woorden zou zeggen dat het allemaal wel weer goed kwam.

* Op elke hoek van elke straat is wat gebeurd, of net niet gebeurd. Er is een trap waar ik altijd zat te wachten, er is een beeldje waar ik niet naar kan kijken zonder de slappe lach te krijgen, er is het klimrek waar ik het haar van mijn eerste vriendje heb geknipt, de wasserij waar ik een keer alleen nieuwjaar heb gevierd en er is het bankje waarvan ik weet dat zijn naam erin staat. Als ik voorbij die plekken fiets, dan heb ik het gevoel dat Brugge mijn geheugen is. Dat het ei de dingen beter bij elkaar houdt dan mijn eigen hoofd dat kan. Een stad doet er niet zo moeilijk over dat verleden en heden vernesteld zijn geraakt.

*Iedereen die in Epidaurus komt, het Griekse theater, doet hetzelfde. Ze gaan op het podium staan en fluisteren een zin. Het verhaal gaat dat zelfs het gefluisterde hoorbaar is op de hoogste rijen van de tribune. In Epidaurus wordt zelfs de meest timide idioot een acteur. Ook Brugge nodigt uit tot theatraal gedrag. Het is dan ook een meesterlijk in elkaar gezet decor. Als stad is het piepklein, als decor is het enorm. En het bijzondere is dat het publiek je overal kan zien omdat ze tussen de spelers lopen, zelf spelers zijn. En de druk kwebbelende ad interims, die altijd met velen tegelijk komen, bussenvol, zij krijgen een stadsplan waarop staat aangegeven waar ze het best hun liefdesscènes kunnen repeteren.

*Laatst heb ik mijn kinderen meegenomen naar de Madonna in de O-L-V Kerk. Ze zat ingepakt wegens renovatie. Een cadeautje. Buiten op een bankje heb ik hen dan maar over Christo verteld. Heeft die man echt hele gebouwen ingepakt, vroeg mijn zoontje en om zijn eigen verbeelding te ondersteunen legde hij zijn hoofd in zijn nek en keek omhoog naar de enorme bakstenen kerktoren.

  • Naar huis fietsend dachten we hetzelfde. Zou Christo het kunnen: heel Brugge inpakken? Als een cadeautje. En wie zou ons dan uitpakken, zijn hand voor de mond slaan en uitroepen: Waaaw! Net als bij vuurwerk of taart. Koekjestaart. Want dat is tenslotte waarom ik ben teruggekeerd. Voor de koekjestaart van mijn moeder. En in de hoop dat het verloren gevoel ergens teruggevonden kon worden.

* Dat is een illusie, natuurlijk, dat weet ik ook wel, maar dat is de liefde ook en voor zover ik weet is het nooit een reden geweest om er maar eens mee op te houden, met dat beminnen en verlangen en achtergelaten worden en proberen terug te winnen wat we verloren zijn. Altijd weer dat proberen terug te winnen wat we verloren zijn. Op het najagen van vervlogen schoon.

Op ons decor.
Op mooie verhalen.
Ze vertellen en ze leven. Op Brugge 2015.


Lara

 

 

Comments are closed.

%d bloggers liken dit: